Van Schaik Advocaten

Ondanks bivakmuts en tie-wrap, vrijspraak.

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 15-09-2011
Datum publicatie: 20-09-2011
Zaaknummer: 16/711944-08 [P]
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Vrijspraak ten aanzien van overval. Veroordeling ter zake van belediging.

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],
geboren op [1984] te [geboorteplaats],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 september 2011.
Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman.
De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: samen met een ander of anderen sieraden, goud en geld heeft weggenomen uit een woning, welke diefstal werd vergezeld van bedreigingen en geweld;
Feit 2 primair: samen met een ander of anderen een personenauto heeft gestolen;
Feit 2 subsidiair: samen met een ander of anderen opzettelijk een personenauto heeft geheeld;
Feit 3: [aangeefster] heeft beledigd.

3 De voorvragen
3.1 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3, omdat dit feit door het openbaar ministerie enkel op de dagvaarding is gezet om te voorkomen dat er in het kader van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering een verzoek om schadevergoeding zal worden gedaan.
3.2 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer van de raadsman niet opgaat. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn als de politie en/of het openbaar ministerie ernstig inbreuk heeft/hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.

De rechtbank concludeert derhalve dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde, het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde en het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en feit 2 en wijst daarbij op het feit dat het aangetroffen dna-materiaal op de bivakmuts geen daderspoor is, nu er van meer personen celmateriaal is aangetroffen op de bivakmuts. Voorts wijst de raadsman erop dat niet vast te stellen is dat het celmateriaal op de tie-wrap van verdachte is. De raadsman is dan ook van mening dat er ten aanzien van feit 1 en 2 onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
De raadsman heeft verzocht feit 3 af te splitsen, omdat hij van mening is dat dit feit slechts is aangebracht door de officier van justitie, omdat te voorkomen dat de verdediging een procedure in het kader van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan starten.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair en feit 2 subsidiair
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Op 2 juni 2008 heeft er in Veenendaal een vreselijke overval plaatsgevonden. Uit het dossier komt naar voren dat deze overval is gepleegd door meerdere daders.

Met betrekking tot verdachte bevinden zich twee aanwijzingen voor zijn betrokkenheid in het dossier. Er is celmateriaal van verdachte aangetroffen op een bivakmuts, welke bivakmuts door één van de daders op het moment van de overval is gedragen. Voorts is er een gemengd dna-spoor aangetroffen op de tie-wrap waarmee één van de slachtoffers was vastgebonden waarvan niet valt uit te sluiten dat dit spoor van verdachte afkomstig is.

De raadsman heeft betoogd dat het celmateriaal op de bivakmuts ook op de bivakmuts kan zijn gekomen doordat verdachte de bivakmuts eerder heeft vastgepakt. De rechtbank overweegt daartoe dat dit volstrekt onaannemelijk is, omdat het celmateriaal aan de binnenkant van de bivakmuts is aangetroffen bij de opening in de muts voor de mond. De rechtbank stelt op basis van het aangetroffen celmateriaal vast dat verdachte de bivakmuts op enig moment heeft opgehad. De rechtbank kan echter niet vaststellen wanneer verdachte de bivakmuts heeft gedragen. Daarnaast is er ook celmateriaal van een ander dan verdachte aangetroffen op dezelfde plek op de bivakmuts. Dit betekent dat ook een ander persoon op enig moment de bivakmuts heeft gedragen. Voorts noemt getuige [getuige] de man die de bivakmuts droeg een negroïde man. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet uit het dossier dat verdachte als negroïde zou kunnen worden aangeduid. De rechtbank houdt daarom de mogelijkheid open dat ten tijde van de overval een ander dan verdachte de bivakmuts heeft opgehad.

Ten aanzien van het celmateriaal op de tie-wrap overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) kan niet uitgesloten worden dat het celmateriaal op de tie-wrap van verdachte is. De officier van justitie concludeert op basis van het NFI-rapport dat verdachtes dna-materiaal op de tie-wrap zit, omdat er wordt benoemd dat het dna-profiel van verdachte matcht met het onvolledige dna-mengprofiel op de tie-wrap. Deze conclusie is naar het oordeel van de rechtbank onjuist, nu in het rapport enkel staat dat verdachte niet uitgesloten kan worden als donor van dit celmateriaal en de kans dat het celmateriaal van een ander dan verdachte is niet berekend is. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat het celmateriaal op de tie-wrap van een ander dan verdachte afkomstig is.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en zij zal hem daarvan vrijspreken.

De onder feit 2 ten laste gelegde diefstal dan wel heling van een auto betreft de auto die is gebruikt bij de hiervoor benoemde overval te Veenendaal. Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder feit 1 tenlastegelegde, zal zij verdachte tevens vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Het bewijs ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 13 april 2008 te Zeist voor de woning van haar vriend stond. Op dat moment kwam verdachte naar haar toelopen en begon tegen haar te schreeuwen. Hij riep naar haar “vieze vuile teringhoer” en “vuile teringjunk”. Aangeefster voelde en zag dat verdachte haar eenmaal in haar gezicht spuugde.

Aangeefster heeft tegen verdachte een klacht ingediend met een verzoek tot vervolging van verdachte.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde woorden heeft gebruikt tegen aangeefster. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster in haar gezicht heeft gespuugd.

Nadere overwegingen ten aanzien van feit 3
Ten aanzien van het verzoek van de raadsman om feit 3 af te splitsen, overweegt de rechtbank dat de grondslag van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering niet met zich meebrengt dat zaken worden afgesplitst om de verdediging in de gelegenheid te stellen om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen.
De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

3.
op 13 april 2008 te Zeist, opzettelijk beledigend [aangeefster] in haar gezicht heeft gespuugd en in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “vuile vieze teringhoer en vuile teringjunk”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid
5.1 De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Feit 3: eenvoudige belediging.
5.2 De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman bepleit artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een eenvoudige belediging. De rechtbank beschouwt de termen die verdachte heeft gebruikt in combinatie met het spugen in het gezicht van aangeefster als ernstig.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 9 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de brief die aangeefster heeft verzonden. In de brief staat dat aangeefster een aantal keer geprobeerd heeft haar aangifte in te trekken en tevens dat zij geen problemen meer ervaart met verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie ziet de rechtbank geen aanleiding tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7 De benadeelde partij
7.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat er onvoldoende bewijs tegen verdachte aanwezig is en verdachte dient te worden vrijgesproken.
Subsidiair, indien de rechtbank tot een veroordeling zou komen, is de raadsman van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.024,52 voor feit 1.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag
8.1 De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
8.2 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 27, 36b, 36d, 266 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing
De rechtbank:

Voorvragen
– verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak
– spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2, primair en subsidiair, ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring
– verklaart het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid
– verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Eenvoudige belediging;
– verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging
– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken;

– bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag
– verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 stk muts,
1 stk wapen (wapen en houder),
1 stk handschoen,
1 stk plastic (tie-wrap),

– gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
1 stk onderdelen (schrijfplaat);

Benadeelde partijen
– verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

– bepaalt dat ieder de eigen kosten draagt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 september 2011.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *