Van Schaik Advocaten

Schatting wederrechtelijk verkregen vermogen onjuist

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 27-10-2009
Datum publicatie: 27-10-2009
Zaaknummer: 07/12304 P
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Cassatie
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Bewijsklacht. Aan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel t.a.v. vrachtauto’s heeft het Hof klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat dit voordeel is verkregen door verkoop door betrokkene van onderdelen van deze gestolen vrachtauto’s aan X B.V. Uit de aan de schatting ten grondslag gelegde bewijsmiddelen t.a.v die vrachtauto’s kan niet volgen dat het de gestolen vrachtauto’s zijn waarvan onderdelen aan X B.V. zijn verkocht. ‘s Hofs schatting is daarom in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Uitspraak
27 oktober 2009 Strafkamer
Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 10 augustus 2007, nummer 24/000100-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Flevoland, locatie Lelystad” te Lelystad.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet dragend zijn voor het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit vermogensdelicten betreffende de met de nummers 10, 11, 23 en 25 aangeduide vrachtauto’s.

3.2. Het Hof heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wat betreft de in het middel bedoelde vrachtauto’s als volgt gemotiveerd:
“8.2 Bij de bepaling van de hoogte van het geschatte voordeel is het hof uitgegaan van het navolgende:
8.2.1 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een overzicht van 27 vrachtauto’s, welke zouden zijn gestolen en vervolgens geheeld en uit de opbrengst waarvan de veroordeelde voordeel zou hebben genoten. Dit overzicht is gevoegd als bijlage 5 bij een rapport, betreffende de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, d.d.
24 september 2004 opgemaakt door [verbalisant 1], Inspecteur van politie, als financieel rechercheur werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche, regiopolitie IJsselland (gevoegd achter het tabblad “Financiële rapportage” in de map SFO, behorende bij het dossier met rapportnummer RR03-098092.03). Onder meer wordt in dit overzicht – zakelijk weergegeven – melding gemaakt van diefstal van de volgende vrachtauto’s:
(…)
vrachtauto nr. 10: eigenaar [benadeelde partij 1], pleegdatum 16 januari 2003;
vrachtauto nr. 11: eigenaar [benadeelde partij 2], pleegdatum 28 januari 2003;
vrachtauto nr. 23: eigenaar [benadeelde partij 3], pleegdatum
28 mei 2003;
(…)
vrachtauto nr. 25: eigenaar [benadeelde partij 3], pleegdatum
4 juni 2003;
(…)
Ten aanzien van de hierboven vermelde vrachtauto’s heeft het hof het voordeel geschat op basis van de navolgende bewijsmiddelen:
(…)
Met betrekking tot vrachtauto 10:
8.2.7 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een “Anzeige” (gevoegd in zakendossier 2, behorende bij het hiervoor onder 8.2.2 genoemde dossier, map 3 van 7), inhoudende de aangifte van het bedrijf [benadeelde partij 1] in [plaats], Duitsland, ter zake diefstal van een Daimler vrachtwagen, gepleegd in de periode van 15 januari 2003 tot en met 16 januari 2003.
Met betrekking tot vrachtauto 11:
8.2.8 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een “Anzeige” (gevoegd in zaakdossier 2, behorende bij het hiervoor onder 8.2.2 genoemde dossier), inhoudende de aangifte van het bedrijf [benadeelde partij 2] in [plaats], Duitsland, ter zake diefstal van een Mercedes vrachtwagen, gepleegd in de periode van 24 januari 2003 tot en met 28 januari 2003.
Met betrekking tot vrachtauto 23:
8.2.9 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen, nummer PL04ZU-092668, d.d. 11 augustus 2003 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie Regio IJsselland, District Zuid (gevoegd in het getuigendossier, behorende bij het hiervoor onder 8.2.2 genoemde dossier, map 7 van 7), – zakelijk weergegeven – inhoudende: als verklaring van verbalisanten, dan wel één hunner:
Op 7 augustus 2003 werd door ons gehoord [betrokkene 1], mededirecteur van [A] BV. [betrokkene 1] verklaarde ons dat de inkopen, welke meestal door hem werden gedaan, werden bijgehouden in een “kasboek”. Hij stelde ons in de gelegenheid dit boek samen met hem in te zien. Hieruit bleek het volgende:
28-05-03: Inkoop onderdelen t.w.v. € 3.500,- van [betrokkene] (het hof begrijpt, gelet op de onder 8.2.15 opgenomen verklaring van [betrokkene 1], dat wordt bedoeld: [betrokkene])
(…)
Met betrekking tot respectievelijk de vrachtauto’s 10, 11 en 24 tot en met 27 voorts:
8.2.15 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor, nummer PL04ZU/03-092668, d.d. 7 augustus 2003 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden voornoemd (gevoegd in het getuigendossier, behorende bij het hiervoor onder 8.2.2 genoemde dossier, map 7 van 7), – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben mededirecteur van [A] BV te [plaats]. Ons bedrijf importeert en exporteert gebruikte vrachtauto’s en onderdelen van vrachtauto’s. Ik hoor van u dat het gaat over de levering aan ons van onderstellen (incl. motor en assen) van vrachtauto’s. Dit gebeurt hoofdzakelijk door iemand die ik ken als [betrokkene] uit [plaats]. Verder doet dit bijna niemand.
(Opmerking verbalisanten: Wij toonden deze getuige een foto van [betrokkene] ([betrokkene]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende [a-straat 1] te [woonplaats]. Getuige [betrokkene 1] vertelde dat dit een foto was van de jongen die hij kent als [betrokkene] en die de vrachtauto-onderstellen komt brengen.)
Alle inkopen die ik doe worden door mij bijgehouden in een kasboek. Ik loop het boek met u door en probeer mij de transactie te herinneren.
(opm. verb.: kas-inkoopboek vanaf 11-8-02 tot heden)
16-1-03: [betrokkene] (het hof begrijpt telkens:
[betrokkene]) heeft mij toen een chassis verkocht. Gezien de prijs was dit een dubbel-asser. Prijs € 7.940,-.
28-1-03: Dit moet ook de inkoop van een chassis betreffen voor de prijs van € 4.500,-. Er staat “kamp” op waar de naam van de verkoper moet staan. Dit wil zeggen dat de verkoper iemand van het woonwagenkamp was.
2-6-03: Ik weet dat [betrokkene] dit ook is geweest. Hij heeft toen een dubbel-asser met blok verkocht voor € 9.000,-.
4-6-03: Hier staat dat ik voor € 3.500,- van [betrokkene] gekocht heb. Dit was een v6 blok met chassis.
30-6-03; [Betrokkene] heeft toen een 3-asser (het hof begrijpt: dubbel-asser) gebracht; prijs € 8.000,-.
1-7-03: Hier heeft [betrokkene] een enkel-asser gebracht, prijs € 5.000,-.
8.3 Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 8.2.2 tot en met 8.2.14 genoemde wettige bewijsmiddelen en nu het hof daarnaast niet is gebleken van door de veroordeelde gemaakte kosten, anders dan de hiervoor vermelde kosten, stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast:
(…)
– voordeel t.a.v. vrachtwagen 10 € 7.940,-
– voordeel t.a.v. vrachtwagen 11 € 4.500,-
– voordeel t.a.v. vrachtwagen 23 € 3.500,-
(…)
– voordeel t.a.v. vrachtwagen 25 € 3.500,-.”

3.3. Aan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de in het middel bedoelde vrachtauto’s heeft het Hof klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat dit voordeel is verkregen door verkoop door de betrokkene van onderdelen van deze gestolen vrachtauto’s aan [A] B.V. In aanmerking genomen dat uit de aan zijn schatting ten grondslag gelegde bewijsmiddelen ten aanzien van die vrachtauto’s niet kan volgen dat het de gestolen vrachtauto’s zijn waarvan onderdelen aan [A] B.V. zijn verkocht, is ’s Hofs schatting in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel is gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 27 oktober 2009.

Van Schaik Advocaten

Katvanger

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 29-09-2009
Datum publicatie: 29-09-2009
Zaaknummer: 07/12516
Formele relaties: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI7044
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie
Katvanger. “Tenzij anders blijkt” a.b.i. art. 1.3 WVW1994. Verweer in hoger beroep: een katvanger kan niet worden gelijkgesteld aan eigenaar of houder. HR: met zijn overweging “ dat de wettelijke bedoeling van art. 1.3 WVW1994 juist opgang doet ingeval iemand, zoals i.c., als katvanger optreedt“, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel de zinsnede “ tenzij anders blijkt” in art. 1.3 WVW1994 zo moet worden opgevat dat voor tegenbewijs geen ruimte is indien het aan verdachte zelf te wijten is dat het aan hem opgegeven kenteken ten onrechte de indruk wekt dat hij eigenaar of houder is. Die opvatting is echter, gelet op de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis, onjuist.

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Enkelvoudige Kamer, van 9 augustus 2007, nummer 21/001855-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer van de verdediging dat de verdachte niet als eigenaar of houder van het bewuste motorrijtuig is aan te merken, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“1. een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op 23 november 2005 omstreeks 1.08 uur te Utrecht, binnen de bebouwde kom, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Graadt van Roggeweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 104 kilometer per uur, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was;

2. een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op 23 november 2005 omstreeks 1.36 uur te Utrecht, binnen de bebouwde kom, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Catherijnesingel, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 123 kilometer per uur, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was.”

2.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
“Primair stel ik mij op het standpunt dat met betrekking tot de tenlastegelegde feiten ten aanzien van het primaire, het onderdeel “terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 van dat motorvoertuig was” niet bewezen kan worden. Cliënt was geen eigenaar. Hij fungeerde als katvanger. Ook was cliënt geen houder. Hij had de auto niet onder zich.”

2.2.3. Het Hof heeft het verweer als volgt verworpen:
“De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden nu verdachte, als katvanger, niet is aan te merken als eigenaar of houder, zoals bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt dat de wettelijke bedoeling van artikel 1, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 juist opgang doet ingeval iemand, zoals in de onderhavige zaak, als katvanger optreedt. Verdachte werkt welbewust mee aan de vervuiling van de gegevens in het kentekenregister. Deze gedraging kan niet met zich meebrengen dat de geregistreerde niet meer als vermoede eigenaar of houder voor de naleving van diverse plichten met betrekking tot motorrijtuigen aansprakelijk kan worden gehouden. Het hof beschouwt verdachte, kentekenhouder van het motorrijtuig, gekentekend [AA-00-BB], als eigenaar of houder van dat motorrijtuig en acht verdachte aansprakelijk voor de geconstateerde snelheidsovertredingen.

Het hof verwerpt het verweer.”

2.3.1. Art. 1, derde lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) luidt:
“Degene aan wie een kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig of een aanhangwagen wordt, tenzij anders blijkt, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet beschouwd als eigenaar of houder van dat motorrijtuig of die aanhangwagen.”

2.3.2. De in art. 1, derde lid, WVW 1994 voorkomende omschrijvingen zijn ontleend aan art. 40 (oud) WVW. Het eerste en vierde lid van dit artikel luidden:
“1. Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor dat feit worden gestraft voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt, tenzij anders blijkt, met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het in artikel 20, eerste lid, onder f, bedoelde register van opgegeven kentekens, als eigenaar of houder beschouwd degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het feit in dat register was ingeschreven.”

2.3.3. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 1 april 1988, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet en van de gemeentewet (strafbare feiten begaan door onbekende bestuurders van een motorrijtuig) (Stb. 1988, 164) houdt ten aanzien van art. 40, eerste lid, WVW het volgende in:
“Het antwoord op de vraag, wie ten tijde van het delict eigenaar of houder was, is meestal zonder veel moeite in het kentekenregister af te lezen. Toch verbindt de voorgestelde tekst de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet aan de enkele vermelding van iemands naam in dat register. Want in de eerste plaats kunnen ook overtredingen begaan worden met motorrijtuigen die geen kenteken voeren; men denke aan bromfietsen. In de tweede plaats is soms de in het kentekenregister opgenomen persoon in werkelijkheid geen eigenaar of houder. Dat kan (afgezien van in registers van deze omvang en actualiteit bijkans onvermijdelijke misslagen) bij voorbeeld het gevolg zijn van het “naijlen” van de registratie – de talrijke mutaties vergen nu eenmaal enige verwerkingstijd – of van nalatigheid van de betrokkenen die zich bij overdracht van het motorrijtuig niet van hun registratieplichten kweten.
Als regel echter kan de justitie bij opsporing en vervolging steunen op het kentekenregister, in het bijzonder ook voor het bewijs van het eigenaar- of houderschap van de verdachte. Dat register is immers juist door de wetgever opgezet, om te dienen als bron van informatie omtrent het eigenaar- of houderschap van motorrijtuigen. Het door dat register geleverde bewijs zal dan ook in het algemeen slechts wijken, indien daartegenover uit bijzondere omstandigheden aannemelijk wordt of indien de verdachte aannemelijk maakt dat hij ten tijde van het delict geen eigenaar of houder was.” (Kamerstukken II, 1984-1985, 19 093, nrs. 1-4, p. 28)

2.3.4. De nota van wijziging bij voormeld wetsvoorstel houdt ten aanzien van art. 40, vierde lid, WVW het volgende in:
“A en B. Deze wijzigingen beogen de toepassing van de voorgestelde regeling in de praktijk te vergemakkelijken. Door raadpleging van het kentekenregister kan in de regel worden vastgesteld wie de eigenaar of houder is van een motorrijtuig waarmee door een onbekend gebleven bestuurder een strafbaar feit is begaan. Omdat de zuiverheid van het register echter nooit geheel volledig is, kan hierover soms onzekerheid bestaan, in het bijzonder indien de betrokkene niet heeft gereageerd op aanschrijvingen van de politie. De aangebrachte wijzigingen maken het mogelijk ook in die gevallen tot een bewezenverklaring te komen. Indien in de loop van het onderzoek evenwel zou blijken – bij voorbeeld aan de hand van inlichtingen van betrokkene – dat degene op wiens naam het kenteken staat ingeschreven, niet de werkelijke eigenaar of houder is, dan vormt een uittreksel uit het kentekenregister uiteraard geen volledig bewijs van het eigenaar- of houderschap.” (Kamerstukken II, 1987-1988, 19 093, nr. 8, p. 1-2)

2.3.5. De memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 21 april 1994, houdende vervanging van de Wegenverkeerswet (Wegenverkeerswet 1994) (Stb. 1994, 475) houdt ten aanzien van art. 1, derde lid, het volgende in:
“Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie hoe de clausule “tenzij anders blijkt” moet worden toegepast en hoe de benodigde bewijsvoering kan verlopen, merken wij het volgende op. In beginsel zijn de gegevens in het kentekenregister bepalend voor het antwoord op de vraag wie voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1992 als eigenaar of houder van een bepaald voertuig moet worden beschouwd. Het kan echter niet zo zijn, dat daartegen geen enkele vorm van tegenbewijs mogelijk is. Te dien einde is bedoelde clausule dan ook in de onderhavige bepaling opgenomen. Bij de bewijsmiddelen die in een eventuele procedure aan de rechter kunnen worden voorgelegd, kan bij voorbeeld worden gedacht aan het zogenaamde vrijwaringsbewijs.” (Kamerstukken II, 1991-1992, 22 030, nr. 6, p. 90)

2.4. Met zijn overweging “dat de wettelijke bedoeling van art. 1, derde lid, WVW 1994 juist opgang doet ingeval iemand, zoals in de onderhavige zaak, als katvanger optreedt”, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel de zinsnede “tenzij anders blijkt” in art. 1, derde lid, WVW 1994 zo moet worden opgevat dat voor tegenbewijs geen ruimte is indien het aan de verdachte zelf te wijten is dat het aan hem opgegeven kenteken ten onrechte de indruk wekt dat hij eigenaar of houder is. Die opvatting is echter, gelet op de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis, onjuist.

2.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Van Schaik Advocaten

Schieten in de grond, geen poging doodslag

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 19-12-2008
Datum publicatie: 11-03-2009
Zaaknummer: 16-601012-08
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank heeft verdachte vrijsgesproken van poging doodslag, doch veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Zij heeft het beroep op noodweer verworpen, op de grond dat geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar.

Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2008

in de strafzaak tegen [verdachte]
geboren op [geboorteplaats] 1983 te [geboorteplaats]
gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht
raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal

1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 december 2008, waarbij de officier van justitie, mr. M. Grüschke, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1 primair: heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – [aangever] te doden;
Feit 1 subsidiair: [aangever] heeft bedreigd door hem een vuurwapen voor te houden en met het vuurwapen in de richting van die [aangever] te schieten;
Feit 2: een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair onder 1 ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen, zodat verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie is van mening dat niet bewezen kan worden dat door verdachte gericht op aangever is geschoten. Het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit acht zij daarentegen wel wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van verdachte, aangever, getuige [getuige 1] en het aantreffen van het patroon en de huls op de plaats van het incident.
Het onder 2 ten laste gelegde feit kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen gelet op het aantreffen van het wapen, de bekennende verklaring van verdachte en het technische onderzoek naar het wapen.

4.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair onder 1 ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging is de verklaring van aangever niet betrouwbaar, zodat dient te worden uitgegaan van de lezing van verdachte. Deze lezing houdt in dat hij op enkele meters afstand van aangever in de grond heeft geschoten om aangever af te schrikken. In zoverre wordt het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit door hem erkend. Hij heeft echter verklaard dat hij dit schot heeft gelost, omdat voor hem concrete aanwijzingen bestonden voor een dreigend gevaar. Deze aanwijzingen waren allereerst gebaseerd op een eerdere ontmoeting tussen verdachte en aangever, waarbij aangever ook gewelddadig jegens verdachte was opgetreden. Daarnaast waren er diverse telefonische bedreigingen aan het schietincident op 27 augustus 2008 voorafgegaan. Voorts had aangever hem vlak voor het schot verteld over zijn verleden als militair, waarbij hij had gezegd dat hij had geleerd mensen te doden. Ten slotte werd verdachte geconfronteerd met het mes dat hij in de zak van aangever zag zitten. Hij zag een handvat met daarop nagels. In de visie van de verdediging was hiermee sprake van een noodweer situatie die immers ook kan inhouden dat een wederrechtelijke aanval dreigt plaats te gaan vinden. Er waren gelet op voornoemde omstandigheden voldoende signalen aanwezig dat er een dreiging was. Schieten was op dat moment de enige mogelijkheid om op deze aanval te reageren voor verdachte. Gelet op zijn zware bouw, alsmede gelet op de omstandigheid dat hij de omgeving niet kende en het donker was, was wegrennen geen optie. Daarmee is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, aldus de verdediging. Voorts is in de visie van de verdediging voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, aangezien verdachte het wapen alleen heeft gebruikt om mee te dreigen. Hij heeft bewust in de grond geschoten en niet in de richting van aangever. Nu dit schot kan worden aangemerkt als noodweer, dient verdachte volgens het betoog van de verdediging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging aangevoerd geen verweer te voeren.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Geloofwaardigheid van de verklaringen
Bij de beoordeling van het bewijs ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of zij de verklaringen van aangever dan wel die van verdachte geloofwaardig acht. De rechtbank overweegt daartoe alsvolgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het schietincident door aangever is opgehaald vanaf station [plaats]. Ongeveer 10 à 15 minuten nadat hij aangever had gebeld dat hij op station [plaats] was aangekomen, kwam aangever ter plaatse, aldus verdachte . Aangever heeft het voorgaande ontkend. Hij heeft over de gebeurtenissen op de bewuste avond het volgende verklaard. Verdachte was met de auto gekomen. Verdachte had hem omstreeks 21.00 uur gebeld en gezegd dat hij zijn auto had geparkeerd op de parkeerplaats van het [B] hotel, in de buurt van de woning van aangever. Aangever is daar toen naar toe gegaan en heeft tevergeefs enige tijd op de parkeerplaats gewacht op verdachte. Nadat hij weer naar huis was gegaan is aangever omstreeks 21.40 weer gebeld door verdachte dat hij op de afgesproken parkeerplaats stond. Toen is aangever opnieuw naar die plek gelopen waar hij verdachte die avond voor het eerst ontmoette. Dit was in het bos nabij zijn woning te [plaats], de plek waar ook geschoten is .

De verklaring van verdachte vindt bevestiging in de paallocaties die de telefoons van verdachte en aangever die avond hebben aangestraald . Uit de analyse van de verkeersgegevens behorende bij het telefoonnummer van verdachte volgt, dat verdachte de desbetreffende avond omstreeks 21:18 met zijn telefoon heeft gebeld, terwijl hij zich in [plaats] bevond. Dit tijdstip komt overeen met het moment waarop hij volgens zijn verklaring in [plaats] met de trein in [plaats] is aangekomen. Uit de analyse van de verkeersgegevens behorende bij de telefoonnummers in gebruik bij aangever blijkt dat een van beide simkaarten zich omstreeks 21:33 uur eveneens in [plaats] bevond. De andere simkaart van aangever bevond zich even later, omstreeks 21.36 uur op de [adres] in [plaats]. Hieruit leidt de rechtbank af dat aangever omstreeks deze tijdstippen niet op het parkeerterrein in de buurt van zijn huis in [plaats] is geweest, zoals hij heeft verklaard. Het tijdstip van 21.33 komt overeen met het moment waarop aangever verdachte volgens de verklaring van laatstgenoemde heeft opgehaald.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van aangever, voor zover deze betrekking heeft op hetgeen vooraf is gegaan aan het schietincident, niet geloofwaardig is.
Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij die avond éénmaal, op enkele meters afstand van aangever, in de grond heeft geschoten. Volgens aangever zijn daarentegen drie schoten door verdachte gelost. De eerste keer werd er richting zijn been geschoten, de andere twee schoten vonden plaats terwijl hij wegrende, aldus aangever .
In het dossier heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingpunten aangetroffen om meer dan één schot bewezen te achten. Daar komt nog bij dat getuige [getuige 1] heeft verklaard één schot te hebben gehoord . Daarnaast wordt de verklaring van verdachte dat hij slechts één keer heeft geschoten onderschreven door de resultaten van het onderzoek door de technische recherche op de plaats van het delict, waarbij slechts één patroon is aangetroffen en één huls .

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verklaringen van verdachte geloofwaardig zijn waar het gaat om de tijdstippen en plaatsen van de ontmoeting met aangever en het aantal schoten dat is gelost. Aangezien de rechtbank ook geen nader bewijs in het dossier heeft aangetroffen die de verklaring van aangever over de omstandigheden waaronder het schot is gelost door verdachte ondersteunen, zal zij hiervoor de verklaring van verdachte als uitgangspunt hanteren bij de bewezenverklaring. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking, dat in de verschillende verklaringen van verdachte geen tegenstrijdigheden voorkomen. Bovendien bevinden zich geen aanknopingspunten in het dossier dat een en ander die avond anders is verlopen, dan dat verdachte heeft aangegeven.

De feiten
Aan de hand van de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting en de aangifte, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 27 augustus 2008 in het bos te [plaats] met een vuurwapen richting de grond heeft geschoten, in het bijzijn van aangever. Ter terechtzitting heeft verdachte laten zien dat hij op enkele meters van aangever verwijderd stond op het moment dat hij schoot maar dat hij het pistool daarbij niet op aangever richtte. Aangever en verdachte stonden wel met hun gezichten naar elkaar toe.

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet kan worden aangemerkt als poging doodslag. Met het schot dat verdachte heeft gelost op de wijze als hiervoor omschreven, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zou raken. Gelet hierop heeft hij evenmin de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever door zijn schot zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair onder 1 ten laste gelegde feit.

Het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit kan naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder, dat verdachte zelf ter terechtzitting heeft verklaard te hebben geschoten ter dreiging. Hij wilde aangever afschrikken . De aangever heeft ook verklaard dat hij bang was dat verdachte hem zou doodschieten . Aangezien het vuurwapen geschikt is om iemand mee te doden en verdachte hiermee daadwerkelijk heeft geschoten, betreft het een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Noodweer
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Zij overweegt daartoe allereerst dat op basis van de omstandigheden zoals door de raadsman aangevoerd, niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een ogenblikkelijke aanranding of een concrete dreiging daarvan. De gedragingen van aangever hielden geen onmiddellijk dreigend gevaar voor aantasting van verdachte op. De bedreiging, zoals omschreven door verdachte, was niet zodanig concreet dat er reden was het wapen te trekken. Het mes dat verdachte bij aangever dacht te zien bevond zich nog in zijn zak en niet is aannemelijk geworden dat aangever daadwerkelijk een mes bij zich had. Alhoewel de exacte reden van de afspraak tussen verdachte en aangever in het ongewisse is gebleven, is niet gebleken dat aangever voornemens was verdachte geweld aan te doen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan de bespreking van de overige vereisten voor noodweer niet meer toe.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:
– de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens de terechtzitting van
5 december 2008, inhoudende dat hij op 27 augustus 2008 te [plaats] een vuurwapen onder zich heeft gehad en dat hij dit in de koelcel van het [bedrijf] heeft gelegd;
– het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2008, waaruit volgt dat in de koelcel van het [bedrijf] een vuurwapen is aangetroffen ;
– het proces-verbaal van het onderzoek van de regionale technische recherche naar het aangetroffen vuurwapen die tot de conclusie komt dat het gaat om een vuurwapen met munitie zoals omschreven in de tenlastelegging .

4.4. De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 27 augustus 2008 te [plaats], gemeente [plaats],
I. [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft
verdachte opzettelijk dreigend aan die [aangever] een vuurwapen voorgehouden en
eenmaal met dat vuurwapen geschoten;

2.

op 27 augustus 2008 te [plaats], gemeente [plaats],
een wapen van categorie III, te weten een pistool (astra FT6.35),
en munitie van categorie III, te weten bij dat pistool behorende patronen,
voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid
Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet.
Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld – voor zover de rechtbank het beroep op noodweer verwerpt – dat met een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest kan worden volstaan. Daarbij wijst de verdediging op de bijzondere omstandigheden waaronder de bedreiging heeft plaatsgevonden.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank allereerst rekening met de ernst van de feiten. Verdachte heeft zich de desbetreffende avond schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging. Hij heeft aangever niet alleen een vuurwapen getoond, maar hier daadwerkelijk mee geschoten. De omstandigheid dat een en ander plaatsvond in het bos terwijl het donker was, moet het voor aangever extra beangstigend hebben gemaakt. Dat er niemand in de directe omgeving aanwezig was, moet de gevoelens van angst eveneens hebben aangewakkerd.

Aan de bedreiging is een geschiedenis voorafgegaan die niet helder is geworden. Vast staat echter dat verdachte het initiatief heeft genomen aangever te ontmoeten om zaken uit te praten en dat hij een geladen vuurwapen heeft meegenomen naar deze ontmoeting. Verdachte moet welbewust rekening hebben gehouden met de kans dat hij het vuurwapen daadwerkelijk jegens aangever zou gebruiken. Daarmee heeft verdachte een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd met voor de aangever ernstige gevolgen.
De rechtbank is van oordeel dat voor dit soort feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachte aangever, terwijl hij de aangever onder schot zou hebben gehouden, heeft gedwongen het bos in te lopen zal de rechtbank een lagere straf op leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden onvoorwaardelijk passend is.

Over de persoon van de verdachte is weinig bekend, zodat hierin geen reden is gelegen een andere straf op te leggen.

7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing
De rechtbank:

Vrijspraak
– spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring
– verklaart het overige ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid
– verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1: subsidiair: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;
– verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging
– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

– bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. C.W. Bianchi en mr. J.W. Veenendaal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2008.

Van Schaik Advocaten

Vrijspraak

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 29-11-2007
Datum publicatie: 11-12-2007
Zaaknummer: 16-612876-06
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Huiselijk geweld; poging verkrachting

Sector strafrecht
Parketnummer(s): 16/612876-06
Datum uitspraak: 29 november 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],
wonende te [woonadres] te [woonplaats].

Raadsman: mr. J.P.A. van Schaik.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 november 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

De rechtbank overweegt omtrent het onder 3 tenlastegelegde het volgende.
Aangeefster [aangever] heeft bij de politie verklaard dat verdachte op 15 september 2006 bovenop haar is gaan liggen en zijn rechterhand op haar mond en neus heeft gedrukt, waardoor zij geen adem meer kon krijgen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op aangeefster is gaan liggen en gedurende een minuut zijn hand op haar mond heeft gelegd, omdat zij wilde gaan schreeuwen.
Op zichzelf genomen kan een dergelijke gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm gevaarlijk zijn, maar naar het oordeel van de rechtbank is niet vast te stellen of in te schatten wanneer welk mogelijk gevolg zou kunnen optreden. Uit het handelen van verdachte, hoe beangstigend voor het slachtoffer ook, is in het onderhavige geval niet af te leiden dat dit de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge zou kunnen hebben.
Derhalve acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster [aangever] op 15 september 2006 met de vlakke hand een klap in haar gezicht heeft gegeven en dat hij op 16 september 2006 aangeefster, bij het gesprek omtrent het letsel van de vorige dag, met de achterkant van zijn vingers tegen haar wang heeft getikt.
Aangeefster verklaart bij de politie eveneens dat verdachte haar op 15 september 2006 rond 18.00 uur heeft geslagen . ’s Avonds zou hij haar vervolgens met zijn vuist op haar linkeroor hebben gestompt, waardoor zij direct suizingen hoorde . Ook daarna heeft hij haar in het gezicht gestompt en riep verdachte op luide toon tegen haar: “Ik maak je dood” . Op 16 september 2006 heeft verdachte aangeefster, volgens haar verklaring, een stomp op haar linker jukbeen gegeven, toen zij hem het letsel van de vorige dag toonde .
Uit de medische verklaring blijkt dat bij aangeefster sprake is van letsel aan het linkeroog, de linkeroorschelp en de kaak. Tevens wordt op 16 september 2006 letsel geconstateerd door de moeder en de vader van aangeefster. De rechtbank ziet geen gebreken in de medische verklaring. Het letsel past bij de verklaringen van aangeefster.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij aangeefster [aangever] heeft geprobeerd te verkrachten. Wel heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij in de slaapkamer op haar is gaan liggen en met haar wilde vrijen en dit ook geprobeerd heeft, maar dat aangeefster niet wilde. Toen aangeefster, volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting, naar de woonkamer ging, is hij achter haar aan gegaan, heeft hij haar beetgepakt, op de grond gelegd en haar polsen vastgehouden.
Aangeefster verklaart bij de politie dat verdachte op 15 september 2006 in de slaapkamer boven op haar sprong. Hij hield zijn rechterhand op haar gezicht en met zijn linkerhand voelde zij dat verdachte haar onderbroek aan de kant schoof bij haar vagina. Aangeefster verklaart dat zij heel hard begon te schoppen en zichzelf omhoog wrong. Hierdoor liet verdachte zijn hand op haar gezicht los en hij heeft vervolgens haar handen met één hand vastgepakt en boven haar gehouden. Aangeefster voelde dat verdachte met zijn knie probeerde haar benen uit elkaar te krijgen. Zij probeerde haar benen bij elkaar te houden en begon te huilen. Zij dacht dat hij haar zou gaan verkrachten, omdat zij voelde dat hij haar benen hard uit elkaar schoof en haar onderbroek weer opzij schoof. Opeens liet verdachte, volgens verklaring van aangeefster, haar handen los en kwam hij met zijn volle gewicht op haar liggen, waarna aangeefster de stijve penis van verdachte tegen haar vagina aangeduwd voelde worden. Aangeefster heeft zich vervolgens omhoog kunnen werken. Er heeft geen gemeenschap plaatsgevonden.
Gelet op de gedetailleerde verklaring van aangeefster en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, waarin hij op onderdelen de verklaring van aangeefster bevestigt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
De rechtbank wijst het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen af, nu de rechtbank het horen van de getuigen niet noodzakelijk acht en de rechtbank zich voldoende geïnformeerd acht.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder vermeld.

1.
hij op tijdstippen in de periode van 15 september 2006 tot en met 16 september 2006 te Veenendaal, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangever], meermalen, heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2.

hij op 15 september 2006 te Veenendaal, [aangever] heeft bedreigd met enig
misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever] dreigend de woorden toegevoegd :”Ik maak je dood!”.

4.

hij op 15 september 2006 te Veenendaal, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid [aangever] te dwingen tot het
ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel
binnendringen van het lichaam, opzettelijk (terwijl hun zoontje zich (slapend)
in zijn bed op dezelfde kamer bevond)
– bovenop die [aangever] is gaan liggen terwijl verdachte veel zwaarder is dan die [aangever] en vervolgens
– de armen van die [aangever] heeft vastgehouden zodat zij zich niet kon bewegen en vervolgens
– met zijn hand de onderbroek van die [aangever] opzij heeft geschoven en
– met zijn knie heeft geprobeerd de benen van die [aangever] uit elkaar te krijgen en vervolgens
– met zijn geslachtsdeel tegen het geslachtsdeel van die [aangever] heeft aangeduwd,
zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 4 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 4:

Poging tot verkrachting.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 15 en 16 september 2006 schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging en poging tot verkrachting van zijn partner. Verdachte heeft door geweld te gebruiken de ruzie doen escaleren. Aangeefster kon door zijn handelen geen kant op, hetgeen een zeer bedreigende situatie heeft opgeleverd. Eén en ander is naar het oordeel van de rechtbank des te kwalijker nu verdachte trachtte onder die omstandigheden seks met haar te hebben. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zeer aan.
Verdachte heeft door zo te handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft hij bij het slachtoffer lichamelijk letsel veroorzaakt en ook psychisch leed in de zin van angstgevoelens opgeroepen, te meer nu één en ander in de eigen woning heeft plaatsgevonden.
Bovendien dragen dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

– de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld;
– een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 16 april 2007, opgemaakt door A. Akollo, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:
– een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht tot aanhouding van de zaak teneinde nadere rapportage te laten opmaken door de reclassering dan wel de reclasseringsmedewerker ter terechtzitting te doen horen als getuige en/of deskundige.
De rechtbank overweegt dat, gelet op hetgeen verdachte en de raadsman ter terechtzitting hebben verklaard omtrent de persoonlijke omstandigheden en voornoemd rapport van de Reclassering Nederland, zij zich voldoende geïnformeerd acht omtrent de persoon van verdachte. Het verzoek tot aanhouding wordt derhalve afgewezen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan, met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, aangezien verdachte voor het onder 3 ten laste gelegde feit is vrijgesproken en bovendien de gevorderde straf door de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de context waar in de bewezenklaarde feiten hebben plaatsgevonden en de persoon van verdachte, buiten proportie is.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 242, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 4 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 MAANDEN.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
– de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:
een werkstraf voor de duur van 160 UREN, te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 DAGEN indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mrs A. Wassing, voorzitter, P. Bender en P.J.M. Mol, rechters, bijgestaan door mr. D.G.W. van der Haar-Kleijer als griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2007.

Van Schaik Advocaten

Koperdiefstal, bliksemgeleider; geen gevaar voor goederen, of personen

Instantie: Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak: 07-02-2007
Datum publicatie: 07-02-2007
Zaaknummer: 05/950316-06
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie:
De rechtbank is van oordeel dat verwijdering van bliksemgeleidend materiaal, zoals in casu koper, van een bliksemgeleider van een pand en/of een zendmast weliswaar beschadiging van een gebouw of getimmerte oplevert waardoor het risico op blikseminslag -met alle gevolgen van dien- op/in het gebouw of getimmerte waarop die bliksemafleider zich bevindt verhoogd wordt, doch dat niet gezegd kan worden dat daardoor (direct) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is als bedoeld in artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht.

SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
TEGENSPRAAK

In de zaak van
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen

naam : [verdachte],
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],
adres : [adres],
plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2006 tot en met 29 augustus
2006 in de gemeente Zevenaar tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening
in/uit/vanaf een pand (te weten het [naam] gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid koper (te weten ongeveer 220 meter
bliksemafleider), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
het [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte
en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te
nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
braak en/of verbreking (de bevestigingen aan het dak van voornoemd pand werden
doorgeknipt/verbroken);
(dossier, incident 1)

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 augustus
2006 tot en met 23 augustus 2006 in de gemeente Duiven, (telkens) tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het
oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit/vanaf een (bedrijfs)pand
(gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid koper (in
totaal ongeveer 306 meter bliksemafleiding), in elk geval enig goed, geheel of
ten dele toebehorende aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn
mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs
heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking
(de bevestigingen aan het dak van voornoemd pand werden doorgeknipt/verbroken);
(dossier, incidenten 2 en 3)

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2006
tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven (te weten op/aan [adres]), (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening
heeft weggenomen een hoeveelheid koper (te weten bliksemafleiders), in elk
geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam]
en/of aan [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de
toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te
nemen goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door
middel van braak en/of verbreking (de bevestigingen van voornoemde
bliksemafleiders werden doorgeknipt/verbroken);
(dossier, incidenten 8 en 9)

4.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2006
tot en met 23 september 2006 in de gemeente(n) Zevenaar en/of Duiven, althans
in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, (een) gebouw(en), (een) getimmerte(n) en/of een of meer voor
publiek toegankelijke plaats(en), te weten een of meer (bedrijfs)pand(en)
(gelegen aan de [adres] en/of aan de [adres]
en/of aan de [adres]) en/of een zendmast (gelegen aan de [adres]), (telkens) opzettelijk heeft vernield of beschadigd, door (telkens)
(heimelijk) een of meer bliksemafleider(s) van dat/die pand(en) en/of die
zendmast kapot te knippen en/of te slopen en/of (vervolgens) te verwijderen
(zonder dat een of meer gebruiker(s) van voornoemd(e) pand(en) en/of die
zendmast daarvan op de hoogte was/waren), waardoor vanaf dat/die moment(en)
(telkens) gemeen gevaar voor voornoemd(e) pand(en) met inhoud en/of die
zendmast, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een
of meer in/bij voornoemd(e) pand(en) en/of die zendmast aanwezige
perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, is
ontstaan en/of te duchten was, nu het een feit van algemene bekendheid is dat
blikseminslag brand, danwel anderszins ernstige schade kan veroorzaken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is op 24 januari 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [naam] (ten aanzien van feit 3).

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten
1, 2, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [naam] volledig, hoofdelijk, wordt toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 5.000,00 en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 4 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

Door de officier van justitie is gesteld dat verwijdering van bliksemafleiders van panden en/of een zendmast beschadiging van een gebouw of getimmerte oplevert, waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is.

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat verwijdering van bliksemgeleidend materiaal, zoals in casu koper, van een bliksemgeleider van een pand en/of een zendmast weliswaar beschadiging van een gebouw of getimmerte oplevert waardoor het risico op blikseminslag -met alle gevolgen van dien- op/in het gebouw of getimmerte waarop die bliksemafleider zich bevindt verhoogd wordt, doch dat niet gezegd kan worden dat daardoor (direct) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is.
De rechtbank is van oordeel dat er, om tot de kwalificatie ‘te duchten gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen’ te kunnen komen, sprake moet zijn van met die beschadiging gepaard gaande concrete omstandigheden die deze vrees reëel maken, zoals bijvoorbeeld (verwacht) onweer ter plaatse en gegevens over de kans op blikseminslag in het betreffende gebouw of getimmerte (zoals bijvoorbeeld de oppervlakte en de hoogte van het gebouw en gegevens over de mate van brandbaarheid van het gebouw en wat zich in het gebouw bevindt).
Nu door de officier van justitie niets is aangevoerd omtrent bovengenoemde concrete omstandigheden -en hiervan overigens ook uit het dossier niets is gebleken- is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde ‘te duchten gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen’ niet bewezen kan worden. Deze bestanddelen zijn essentieel voor het onder 4 tenlastegelegde. De rechtbank zal daarom voor dit feit vrijspreken.

Door de raadsman van verdachte zijn enkele verweren gevoerd met betrekking tot feit 4, welke naar het oordeel van de raadsman tot vrijspraak zouden moeten leiden.
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 4 komt, behoeven deze verweren geen bespreking meer.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank bezigt hiertoe onder meer de aangiftes van [naam] namens het
[naam], [naam] namens [naam], [naam] namens [naam] en M. Broekers namens [naam], de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de resultaten van de plaatsbepalingsapparatuur, het onderzoek aan de schoensporen en het werktuigsporenonderzoek en de bekennende verklaringen van verdachte tot het bewijs.

Verdachte heeft ter terechtzitting, in tegenstelling tot zijn bij de politie afgelegde verklaring, verklaard dat hij, samen met medeverdachte [medeverdachte], slechts éénmaal koper (bliksemafleiding) heeft gestolen vanaf het bedrijfspand van [naam]. De rechtbank hecht op dit punt meer waarde aan de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring waarin hij aangeeft dat hij de diefstal bij [naam], samen met [medeverdachte], in twee etappes heeft gepleegd. Deze gedetailleerde verklaring bij de politie vindt steun in de aangiftes van
[naam] namens [naam]. De rechtbank houdt verdachte, ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde diefstallen, dan ook aan zijn bij de politie afgelegde verklaring.

Verdachte heeft ter terechtzitting de onder feit 3 tenlastegelegde diefstallen bij [naam] en [naam] ontkend, hij heeft daartoe aangevoerd nooit bij de [adres] in de buurt te zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig is, gelet op zijn gedetailleerde, van tekening voorziene, verklaring zoals afgelegd bij de politie. De rechtbank houdt verdachte dan ook aan zijn bij de politie afgelegde bekennende verklaring.

De rechtbank acht bewezen dat:

1.
hij in de periode van 18 augustus 2006 tot en met 29 augustus
2006 in de gemeente Zevenaar tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een pand (te weten het [naam] gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid koper (te weten bliksemafleider), geheel of ten dele toebehorende aan het [naam], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van
braak (de bevestigingen aan het dak van voornoemd pand werden doorgeknipt/verbroken);
(dossier, incident 1)

2.
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 augustus
2006 tot en met 23 augustus 2006 in de gemeente Duiven, (telkens) tezamen en
in vereniging met een ander, (telkens) met het
oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een (bedrijfs)pand
(gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen een hoeveelheid koper (in
totaal ongeveer 306 meter bliksemafleiding), geheel of ten dele toebehorende aan [naam],
waarbij verdachte en zijn mededader weg te nemen goederen (telkens) onder
hun bereik hebben gebracht door middel van braak (de bevestigingen aan het dak van voornoemd pand werden doorgeknipt/verbroken);
(dossier, incidenten 2 en 3)

3.
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2006
tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven (te weten op/aan [adres]), (telkens) tezamen en in vereniging met een ander (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of aan [naam], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen (telkens) onder hun bereik hebben gebracht door
middel van braak (de bevestigingen van voornoemde bliksemafleiders werden doorgeknipt/verbroken).
(dossier, incidenten 8 en 9)

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:
Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2 en 3:
Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

4b. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte
Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

– de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

– de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

– de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 4 januari 2007.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich, samen met een medeverdachte, schuldig gemaakt aan diverse diefstallen. Het ging hierbij voornamelijk om koper, dat door verdachten werd verkocht aan verschillende metaalbewerkingsbedrijven. Bij één van de bewezenverklaarde diefstallen is aluminium buitgemaakt, verdachte en zijn medeverdachte waren in eerste instantie echter in de veronderstelling dat het ook hier koper betrof.
Het door verdachte en zijn medeverdachte gestolen koper, danwel aluminium, maakte onderdeel uit van bliksemafleiders van een aantal gebouwen en een zendmast, die als gevolg van de diefstallen onklaar zijn geraakt.

Door de beschadiging van deze bliksemafleiders is het risico op blikseminslag in de betreffende gebouwen en de zendmast verhoogd, temeer aangezien deze op daken gepleegde diefstallen lang onopgemerkt hadden kunnen blijven. Dergelijke diefstallen veroorzaken, om die reden, veel maatschappelijke onrust.
Het risico op blikseminslag heeft verdachte en zijn medeverdachte er niet van weerhouden de diefstallen te plegen. Zij hebben enkel aan hun eigen financieel gewin gedacht.
De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, bijzonder ernstig. Reden waarom de rechtbank in dit geval een zwaardere straf dan bij een diefstal van koper sec, passend vindt.

Uit het aangehaalde uittreksel betreffende de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij reeds eerder een transactie heeft gehad en is veroordeeld wegens diefstallen.
Ter terechtzitting is gebleken dat het in beide gevallen diefstal van koper betrof.

Naar het oordeel van de rechtbank komt voor de afdoening van de onderhavige zaak, gelet op bovenstaande, geen andere straf in aanmerking, dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 4, zal worden volstaan met het opleggen van een lagere straf dan door officier van justitie is geëist.

De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat het feit dat verdachte volledig heeft meegewerkt aan het politieonderzoek ten voordele van hem heeft meegewogen bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de
gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank zal voorts de vordering van benadeelde partij [naam] volledig, hoofdelijk, toewijzen en verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte], veroordelen om dit bedrag te betalen.

Voor de toegewezen vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht, hoofdelijk, zal toepassen en dus verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte], de verplichting zal opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

Indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verlichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevorderde door de medeverdachte is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van benadeelde partij [naam]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

– Veroordeelt de veroordeelde – met dien verstande dat indien en voor zover de medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [naam] zal zijn gekweten – tegen kwijting aan [naam], te [adres], te betalen € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro).

Maatregel van schadevergoeding ad € 5.000,00, subsidiair 55 dagen hechtenis.

– Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam], te [adres], te betalen € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro), bij gebreke van volledi¬ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 55 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

– Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover veroordeelde of medeverdachte [medeverdachte] heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam], het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Heft op het inmiddels geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:
mr. G. Perrick, rechter, als voorzitter,
mr. E.G. Smedema, rechter,
mr. J.B.J. Driessen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Graat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2007.

Van Schaik Advocaten

Geen bewijs opzetheling

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 13-12-2005
Datum publicatie: 13-12-2005
Zaaknummer: 03634/04
Formele relaties: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AU5804
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Cassatie
Inhoudsindicatie: Bewijs opzetheling. Uit de bewijsmiddelen (aangifte: rode Vespa Piaggio op 12-9-98 weggenomen, verklaring verdachte: van 12-9-98 t/m 15-9-98 gereden op rode Vespa Piaggio. Ik heb de bromfiets van geleend van iemand wiens naam ik niet wil noemen) kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de snorfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 december 2003, nummer 23/003184-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 3 december 1999 – voorzover aan ’s Hofs oordeel onderworpen – de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 primair, 3 primair en 5 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. “verkrachting, meermalen gepleegd”, 2 subsidiair “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, 3 subsidiair en 5 subsidiair “opzetheling, meermalen gepleegd”, 6. “diefstal door twee of meer verenigde personen” en 7. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Het Hof heeft voorts de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het vijfde tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot terugwijzing naar het Hof te Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde feit met de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 5 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 12 tot en met 15 september 1998 te De Klomp, gemeente Ede, een snorfiets (een rode Vespa Piaggio) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die snorfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

3.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 1999, voorzover inhoudende:
“In de periode van 12 tot en met 15 september 1998 heb ik gereden op een rode Vespa Piaggio in De Klomp. Ik heb de bromfiets geleend van iemand wiens naam ik niet wil noemen.”

b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:
“Op 12 september 1998 werd de snorfiets te De Klomp (het hof begrijpt: gemeente Ede) weggenomen. De snorfiets is mijn eigendom. Ik heb niemand toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.”

c. een geschrift, zijnde een goederenbijlage behorend bij een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende:
“soort: snorfiets
merk:Vespa type: Piaggio
kleur: rood”

3.4. Uit die bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat, zoals is bewezenverklaard, de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De bewezenverklaring van feit 5 subsidiair is dus ontoereikend gemotiveerd.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen – die zich tegen de strafmotivering richten – geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde en de strafoplegging;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 december 2005.