Van Schaik Advocaten

Purmerlandermoorden

Purmerlandermoorden

Moord, doodslag, hennepkwekerij, promiss-vonnis, uitgebreide bewijsmotiveringen, uitgebreide motivering vordering nabestaanden.

Verdachte wordt vrijgesproken van de hem onder 1 ten laste gelegde medeplegen van moord/doodslag op slachtoffer 1, nu niet is gebleken dat verdachte weet had van de plannen van de medeverdachten en geen opzet kan worden vastgesteld.

Verdachte wordt door de rechtbank Noord-Holland, locatie Osdorp, veroordeeld voor het medeplegen van moord, meermalen gepleegd tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek. Verdachte is verminderd toerekenbaar geacht. Geen sprake van psychische overmacht, verweer met betrekking tot het ontbreken van alle opzet verworpen.

Uitgebreide strafmaatoverweging. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat er oorspronkelijk sprake was van een plan tot beroving/ontvoering maar dat het volkomen uit de hand is gelopen. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat het doodschieten van zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] in een zodanig verband met elkaar heeft gestaan, dat sprake is van een voortgezette handeling, hoewel elke moord op zich een misdrijf vormt. Met andere woorden, wanneer [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] daar alleen had gestaan, was er, hoe absurd dit wellicht ook moge klinken voor de nabestaanden van ieder van hen, vermoedelijk een slachtoffer minder te betreuren geweest. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.

Van Schaik Advocaten

Verzoek tot opheffing lijfsdwang toegewezen

Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak: 06-06-2013
Datum publicatie: 06-06-2013
Zaaknummer: 0200-13 en 0201-13
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Raadkamer
Inhoudsindicatie: Verzoek tot opheffing lijfsdwang toegewezen.

Het hof stelt daarbij vast dat dat de duur van de lijfsdwang waarvoor verlof was verleend is niet volledig benut. Gelet op de wetsgeschiedenis staat naar het oordeel van het hof voor de advocaat-generaal de mogelijkheid open om opnieuw verlof tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang te vorderen.
Beschikking d.d. 6 juni 2013 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, meervoudige raadkamer, op het verzoek ex artikel 577b, tweede lid, en artikel 577c, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [1949] te [geboorteplaats], in de GBA ingeschreven te [woonplaats], [adres], thans verblijvend in [verblijfplaats],
verschenen in persoon en bijgestaan door zijn advocaat mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

De inhoud van de verzoeken
Bij verzoekschriften d.d. 20 december 2011 en 27 april 2012 vraagt verzoeker om beëindiging van de toepassing van de lijfsdwang, waarvoor dit hof bij beschikking d.d. 13 maart 2009 verlof heeft verleend.
Daarnaast vraagt verzoeker het bedrag van de hem bij arrest van dit hof d.d. 10 april 2006 opgelegde maatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), te weten betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 1.061.225,10, thans nog openstaand € 624.695,17, kwijt te schelden dan wel te verminderen.

De ontvankelijkheid van de verzoeken
De verzoeken zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig ingediend.

De behandeling in raadkamer
De zaak is behandeld ter openbare raadkamer van 6 maart 2013. Het hof heeft toen gehoord de advocaat-generaal, de verzoeker en zijn advocaat. Bij tussenbeschikking van 20 maart 2013 heeft het hof de behandeling van de verzoekschriften aangehouden en de oproeping bepaald van een medewerker van het CJIB. Ter openbare raadkamer van 23 mei 2013 is de behandeling van de verzoekschriften hervat; hierbij heeft het hof gehoord de advocaat-generaal, de verzoeker, zijn advocaat en mevrouw [naam], juridisch beleidsmedewerker bij het CJIB.

Daarnaast heeft het hof kennis genomen van de stukken, waaronder de verzoekschriften en de op de ontnemingszaak betrekking hebbende stukken.

De beoordeling van de verzoeken
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer blijkt het volgende:
• Bij arrest van 10 april 2006, parketnummer 24-001104-02, is verzoeker veroordeeld tot betaling van € 1.061.225,10 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit arrest is onherroepelijk geworden op 13 november 2007.
• De advocaat-generaal heeft het hof verzocht verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang ten aanzien van verzoeker.
• Bij beschikking van 13 maart 2009, raadkamernummer 740-08, heeft het gerechtshof het gevraagde verlof verleend en de duur van de lijfsdwang bepaald op drie jaren.
• Verzoeker ondergaat sedert 4 mei 2012 lijfswang.
• Het bedrag van de ontnemingsmaatregel bedraagt thans nog € 624.695,17.

De beoordeling van het verzoek tot vermindering dan wel kwijtschelding
Artikel 577b, tweede lid, Sv biedt de mogelijkheid om, wanneer een maatregel tot het ontnemen van wederrechtelijk genoten voordeel is opgelegd, vermindering of kwijtschelding te vragen. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de wijzing van artikel 577b Sv (kamerstukken II, 2001-2002, 28079, nr. 3, p. 16-17) heeft voor de beoordeling van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding te gelden dat verzoeker aannemelijk dient te maken dat hij niet (meer) in staat is de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat te voldoen en ook in de toekomst daaraan niet zal kunnen voldoen.

Door en namens verzoeker is gesteld dat hij onvoldoende middelen heeft om het restant van de ontnemingsmaatregel te voldoen.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof is verzoeker niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij nu en in de toekomst niet in staat zal zijn de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.

Derhalve zal het hof het verzoek tot vermindering dan wel kwijtschelding afwijzen.

Met betrekking tot het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang
Artikel 577c, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de veroordeelde de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om opheffing van de lijfsdwang.

Verzoeker verzoekt de toepassing van de lijfsdwang op te heffen en voert daartoe aan, kort gezegd, dat lijfswang een pressiemiddel is dat thans geen enkel redelijk doel dient, nu er bij hem geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Voorts stelt verzoeker dat hij alleen buiten detentie in staat is er aan bij te dragen dat wordt voldaan aan de verplichting tot betaling van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Het hof stelt vast dat de omstandigheden, die blijkens voornoemde beschikking van 13 maart 2009, tot toewijzing van het verlof tot tenuitvoerlegging van de lijfswang hebben geleid, inmiddels zijn gewijzigd. Zo onderhoudt verzoeker inmiddels wel contact met het CJIB en is het door hem aan de Staat verschuldigde bedrag, na uitwinning van het conservatoir beslag, verminderd.

Voorts acht het hof voldoende aannemelijk geworden, mede gelet op hetgeen in de openbare raadkamer van 23 mei 2013 aan de orde is geweest, dat verzoeker, gelet op de thans bekende gegevens, al hetgeen van hem redelijkerwijs kon worden verwacht heeft gedaan om te bewerkstelligen dat het (in de tussenbeschikking van 20 maart 2013 genoemde) onroerend goed in Spanje en de (eveneens in die tussenbeschikking genoemde) vordering van verzoeker op de heer [naam] konden worden uitgewonnen. De omstandigheid dat dit niet is gelukt is naar het oordeel van het hof niet aan verzoeker toe te rekenen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat het CJIB niet door nader onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat er daarnaast nog andere vermogensbestanddelen zijn waarvan kan worden vastgesteld dat verzoeker deze niet wil inzetten tot betaling van zijn schuld aan de Staat.

Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang toewijzen.

Daarbij stelt het hof vast dat de duur van de lijfsdwang waarvoor bij de beschikking van 13 maart 2009 verlof was verleend niet volledig is benut. Gelet op na te noemen wetgeschiedenis, staat naar het oordeel van het hof voor de advocaat-generaal de mogelijkheid open om opnieuw verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfdwang ten aanzien
van verzoeker te vorderen, indien aannemelijk is dat er vermogensbestanddelen zijn waarvan kan worden vastgesteld dat verzoeker deze niet wil inzetten tot betaling van zijn schuld aan de Staat dan wel verzoeker anderszins niet wil meewerken aan de verplichting tot het betalen, aan de Staat, van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (zie: kamerstukken II, 2001-2002, 28079, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het eindverslag), blz. 11).

De beschikking
Het hof:

wijst af het verzoek tot vermindering dan wel kwijtschelding van het vastgestelde bedrag van de ontnemingsmaatregel;
wijst toe het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang;
beveelt de onmiddellijke opheffing van de lijfsdwang van de veroordeelde [verzoeker].

Aldus gegeven door mr. Van Schuijlenburg als voorzitter, mrs. Anjewierden en De Witt,
in tegenwoordigheid van mr. H.P.G.A. Arntz als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.

Van Schaik Advocaten

Slagende bewijsklacht opzet op het tezamen en in vereniging plegen van geweld

Instantie: Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak: 20-11-2012
Datum publicatie: 20-11-2012
Zaaknummer: 11/04147
Formele relaties: Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY0267
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken

Inhoudsindicatie:Slagende bewijsklacht opzet op het tezamen en in vereniging plegen van geweld. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat het opzet van verdachte ook gericht was op het bewezenverklaarde, door zijn medeverdachte gepleegde geweld.

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 23 augustus 2011 door het Gerechtshof te Arnhem wegens “diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het arrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over ’s Hofs verwerping van het verweer dat verzoeker geen opzet had op het medeplegen van het geweld.

4. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat:

“hij op 17 september 2010 te Epse, gemeente Lochem, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen ongeveer 3060 euro en/of meerdere sieraden en één bril en meerdere portemonnees en een kluisje, toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen voornoemde [betrokkene 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader voornoemde [betrokkene 1]
– heeft vastgepakt/gegrepen, en
– met een breekijzer op het hoofd heeft geslagen, en vervolgens
– met dat breekijzer op de arm heeft geslagen, en
– in/op/tegen het gezicht heeft geslagen.”

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Voor zover in de hierna opgesomde bewijsmiddelen wordt verwezen naar het stamprocesverbaal wordt hiermee verwezen naar het door [verbalisant 1], brigadier-coördinator regiopolitie Noord en Oost Gelderland, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PLO 2010163002, gesloten en getekend op 6 december 2010 te Zutphen.

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina 103-108 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende de op 17 september 2010 afgelegde verklaring van aangifte van [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven-:

Op 17 september 2010 omstreeks 10.00 uur ben ik van mijn woning vetrokken. Ik ben woonachtig aan de [a-straat 1] in Epse. Omstreeks 11.50 uur kwamen wij weer thuis. Toen ik langs mijn woning reed viel het mij al op dat er een auto stond geparkeerd ter hoogte van de dam van de sloot. Het betrof een glimmende naar mijn mening blauwe metallic Volkswagen Golf. Ik ben naar de achterkant van mijn woning gelopen. Toen ik op een afstand van zo’n zes a zeven meter van mijn woning was verwijderd zag ik dat er glas op de grond lag. Ik keek vervolgens omhoog en zag dat het raam van wat wij het klompenhok noemen kapot was. Dit raam bevindt zich op een hoogte van ongeveer twee meter. Ik heb toen de politie gebeld. Vervolgens ben ik naar de achterkant van de woning gelopen. Toen ik bij de achterdeur kwam zag ik dat het kozijn van deze deur kapot was. Ik zag dat het kozijn ter hoogte van het slot kapot was. Er was een stuk uit. Vervolgens keek ik door het raam. Ik zag toen de andere deur (de oude buitendeur, nu binnendeur) en hierbij zag ik dat ook deze deur beschadigd was. Ook hier was het kozijn kapot. Beide deuren waren niet open. Ik ben daarop weer doorgelopen en zag dat de schuifpui van de aanbouw van onze woning open stond. Toen ik ter hoogte van de schuifpui van de aanbouw/keuken kwam, zag ik glas op de grond liggen. Het raam van de schuifpui was kapot. Ik heb vervolgens naar binnen gekeken. Ik zag een grote puinhoop. Ik zag dat alles overhoop was gehaald. Ik zag dat er stoelen op hun kop lagen. Ik zag lades op de grond liggen. Vervolgens keek ik of de schuifpui open stond, dat wil zeggen van de vergrendeling af. Ik zag dat de vergrendeling eraf was en ik kon zo de schuifpui weer open schuiven. Ik ben vervolgens naar binnen gelopen. Toen ik net een paar stappen in de woning was, hoorde ik stemmen. Ik hoorde toen een tweetal stemmen. Deze stemmen kan ik omschrijven als volle stemmen van volwassen mannen. Ik bevond mij op dat moment in wat wij noemen de bijkeuken. Ik stond ter hoogte van de deur. Ik zag dat deze deur iets openstond. Ik heb vervolgens deze deur verder geopend. Toen ik binnen wilde stappen werd ik geconfronteerd met een man. Toen ik binnen was greep deze man mij bij mijn trui. Hij greep mij met twee handen vast. Deze man wilde mij wegtrekken. Ik hoorde dat deze man tegen mij zei op harde luide toon:” Je geld, Je geld, Je geld”. Ik heb gezegd dat ik geen geld had. Tijdens dit gebeuren had ik deze man ook al beetgepakt. Ik probeerde deze man te slaan en van me af te krijgen. Ik zag en merkte wel dat ik deze man uiteindelijk van me af kreeg en deze man op de grond terecht kwam. Toen de man op de grond lag hoorde ik de andere man ook. Ik draaide me om. Ik zag hoe de man op de vlizotrap stond met in zijn handen een kluisje. Ik heb vervolgens met mijn rechterhand deze man bij zijn linkerbeen gepakt. Ik zag dat deze man hierdoor het kluisje wat hij in zijn handen droeg liet vallen. Dat kluisje viel op de grond tegen de WC deur aan. Ik trok deze man vervolgens naar beneden. Ik zag dat deze man vervolgens zijn evenwicht verloor en van de trap viel. Ik zag dat deze man heel vlug was en snel weer op stond. Ik zag dat deze man de bijkeuken uit vloog de kamer in. Ik wilde deze man achterna. Toen ik net een stap in de kamer had gezet merkte ik dat ik van achteren op mijn hoofd werd geslagen. Ik werd op mijn rechterachterhoofd geslagen. Ik voelde dat ik met iets hards werd geslagen. Ik zakte door de ze klap door mijn knieën. Ik kwam met mijn beide handen op de grond terecht. Ik keek op dat moment schuin over mijn rechterschouder. Ik deed dit omdat ik meer verwachte. Toen ik over mijn schouder keek, zag ik die man die als eerste had ontmoet. Deze man had een breekijzer, kleur blauw, in zijn handen. Dit breekijzer leek op een breekijzer dat nogal nieuw was en goed in de verf zat. Ik werd door deze klap behoorlijk duizelig. Vervolgens zag ik dat deze man opnieuw uithaalde met dit breekijzer. Ik zag en voelde hoe deze man met het breekijzer op mijn rechter bovenarm sloeg. Ik heb toen geprobeerde om het breekijzer van deze man af te pakken. Ik heb het breekijzer nog in mijn hand vast gehouden en wilde deze afpakken. Dit lukte me niet en ik heb het breekijzer los moeten laten. Vervolgens is deze man naar buiten gelopen naar zijn maatje toe. De andere persoon had kans gezien om het kluisje te pakken. Toen ze buiten waren wilden ze weglopen, maar op het terrasgedeelte stond mijn vrouw met onze hond. Ik zag vervolgens hoe deze twee mannen wegrenden. Ik zag vervolgens dat deze twee mannen over het hek probeerden weg te komen. Ik ben er nog achteraan gegaan. Net op het moment dat de laatste over het hek wilde klimmen, stopte deze persoon en maakte een slaande beweging naar achteren. Ik bevond mij op dat moment net achter deze persoon. Door deze slaande beweging werd ik op mijn linker kaakgedeelte geraakt. Ik zag dat de auto met de mannen erin met daarbij nog steeds hun bivakmuts op met hoge snelheid voor mij langs reden. In de woning viel het ons op dat het geld wat in de huishoudportemonnee, de spaarportemonnee, en mijn eigen portemonnee was weggenomen. Ook zijn er sieraden weggenomen.

2. Het als bijlage (pagina 109) bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid, inhoudende een geneeskundige verklaring (betreffende [betrokkene 1], opgemaakt door dr. Schrooth op 29 september 2010), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Medische informatie betreffende [betrokkene 1].
Uitwendig waargenomen letsel: hoofdwond
Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja
gering? Ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 17/9/2010

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina 119-122 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende de op 21 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] met de Bijlage Goederen -zakelijk weergegeven-:

Mijn vrouw heeft een lijst van de weggenomen spullen.

Gestolen goed:
Geld, 3060 euro
Sieraad, drie armbandjes goud
Sieraad, twee paar oorbellen
Sieraad, drie ringen
Sieraad, twee kettingen
Bril

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage pagina 132-136 van het stamproces-verbaal), voor zover inhoudende de op 17 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] -zakelijk weergegeven-:

Ik woon samen met mijn man [betrokkene 1] in een vrijstaande woning aan de [a-straat 1] in Epse in de gemeente Lochem.
Op 17 september 2010 omstreeks 10:00 uur ben ik samen met mijn man weggereden in onze auto met trailer. Omstreeks 12:00 uur kwamen wij weer thuis. Ik zag toen een donker blauwe Golfje bij de bosjes staan. Ik heb toen het kenteken [AA-00-BB] voor mijzelf onthouden. Ik en mijn man liepen naar de woning. Ik zag dat er allemaal glas op de grond lag. Daarna zag ik dat het raampje van het klompenhok kapot was. Ik hoorde gestommel in de woning. Ik ben toen gelijk weg gelopen van de woning, omdat ik bang was. Toen hoorde ik mijn man schreeuwen en ik dacht dat hij mij riep. Ik ben toen naar het huis gelopen. Ik heb toen gelijk de hond uit de kennel gelaten. Toen ik de hoek om kwam, zag ik twee personen met een bivakmuts op, met tussen hun in een kluis, lopen. Ik zag dat het twee manspersonen waren en dat de een wat steviger en wat langer was dat de andere. Ik zag dat ze in de richting van het tuinhekje kwamen lopen. Ik zag dat ze mij hebben aangekeken en dat zij mij gezien hebben. Ik zag toen dat mijn man vanuit de zijkant van de woning in de richting van de man op het gras liep. De dunste man was toen al over het hek gesprongen van de paardenbak. Ik zag dat mijn man bloed op zijn hoofd had. Ik zag dat mijn man op de wat stevigere man afliep. Ik zag dat de man zich omdraaide naar mijn man toe en hem een vuistslag gaf. Ik zag dat de man met zijn rechterarm naar achter uithaalde en met gebalde vuist met man in zijn gezicht stompte. Ik dacht dat mijn man op zijn linker slaap geraakt werd. Ik zag dat mijn man achteruit wankelde en op de grond viel. Ik zag gelijk dat mijn man weer overeind ging staan. De wat stevigere man is daarna gelijk over het hek van de paardenbak gesprongen. Ik zag de beide mannen in de auto stappen. Ik zag dat de wat stevigere man als bijrijder in de auto stapte. Ik hoorde de auto starten en ik zag en hoorde dat ze met grote snelheid wegreden in de richting van mij en mijn man.

5. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 augustus 2011, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Het was het idee van [betrokkene 3] om te gaan inbreken in de woning in Epse. We zaten samen in de auto en reden op enig moment achter de bewoners van de woning. We wisten dus dat ze niet thuis waren. [Betrokkene 3] zei dat we er konden inbreken voor het geld. We zijn naar de woning gereden en hebben de auto een klein stukje verderop neergezet. [Betrokkene 3] had handschoenen, een breekijzer en bivakmutsen in zijn auto liggen. We hebben eerst geprobeerd om via een raam binnen te komen. Dat lukte niet. Vervolgens hebben we het breekijzer gebruikt. Ik ben via een raam binnen gekomen en heb de deur opengemaakt. In de woning is [betrokkene 3] beneden gaan zoeken en ik ben via een vlizotrap naar boven gegaan. Op de slaapkamer op de bovenverdieping vond ik een kluis. Toen ik met de kluis naar beneden kwam stond de mannelijke bewoner ineens beneden aan de trap. De bewoners waren in de tussentijd kennelijk thuis gekomen. Die man heeft me aan mijn been getrokken, waardoor ik van de trap af viel. De kluis is in de haast gevallen. Ik ben vervolgens naar buiten gerend. [Betrokkene 3] bleef in de woning achter. Ik heb buiten korte tijd gewacht op [betrokkene 3], iets voorbij de deur. Na ongeveer een halve minuut kwam [betrokkene 3] naar buiten met de kluis. Ik heb hem geholpen met het dragen van de kluis. Toen ik de bewoners naar buiten zag komen, hebben we de kluis laten vallen. Vervolgens zijn [betrokkene 3] en ik richting de auto gevlucht. Ik rende voorop. We zijn tijdens het rennen nog over een hek gesprongen. Ik ben als eerste over het hek gegaan. Daarna zijn [betrokkene 3] en ik samen met de auto gevlucht. De buit hebben we verdeeld. Het was ongeveer 1500 euro per persoon.”

6. Het Hof heeft het namens verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2011 gevoerde verweer inhoudende dat verzoeker geen opzet had op het medeplegen van het geweld als volgt samengevat en verworpen:

“Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu geen bewezenverklaring kan volgen voor het medeplegen van het geweld, dat volgde op de door verdachte en diens mededader gepleegde diefstal met braak. Uit de wettige bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte enig geweld heeft gebruikt tegen aangever. Verdachte heeft ook niet de wetenschap gehad dat zijn mededader geweld gebruikte. Hij heeft niet gezien of gehoord dat er in de woning geweld is gepleegd en van de klap, die de medeverdachte tijdens de vlucht nog aan aangever heeft gegeven, heeft hij ook niets meegekregen. Verdachte had het geweld ook niet verwacht en hij wilde ook niet dat er geweld zou worden gebruikt.
Derhalve kan niet worden gezegd dat verdachte zich had kunnen en moeten distantiëren van het geweld en dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de geweldpleging.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Hij heeft, kort gezegd, verklaard dat hij samen met [betrokkene 3] naar de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in Epse is gegaan, met de bedoeling daar in te breken. Op dat moment waren de bewoners niet in het huis aanwezig. Met behulp van een breekijzer hebben verdachte en [betrokkene 3] zich de toegang tot de woning verschaft. In de woning is [betrokkene 3] beneden gaan zoeken en verdachte is via een vlizotrap naar boven gegaan. Op de slaapkamer op de bovenverdieping heeft verdachte een kluis gevonden. In de tussentijd zijn de bewoners thuis gekomen. Terwijl verdachte met de kluis naar beneden kwam stond aangever beneden aan de trap. Aangever heeft verdachte aan zijn been getrokken, waardoor verdachte van de trap af viel. De kluis is in de haast gevallen en verdachte is naar buiten gerend. Daar heeft hij korte tijd gewacht op [betrokkene 3]; verdachte beschikte immers niet over de sleutel van de auto en kon naar eigen zeggen geen kant op. Na ongeveer een halve minuut kwam [betrokkene 3] naar buiten met de kluis. Verdachte heeft [betrokkene 3] daarop geholpen met het dragen van de kluis. Toen verdachte aangever en diens echtgenote naar buiten zag komen, heeft hij de kluis laten vallen. Hij is vervolgens richting de auto gevlucht met [betrokkene 3] in zijn kielzog, is in zijn vlucht nog over een hek gesprongen, en is samen met [betrokkene 3] met de auto gevlucht. Verdachte ontkent dat hij van de geweldpleging in de woning iets heeft meegekregen. Verdachte zou, als hij er wel iets van had gemerkt, [betrokkene 3] hiervan hebben afgehouden. Ook heeft hij niet gezien dat aangever gewond was aan zijn hoofd. Als verdachte dat zou hebben gezien, dan zou hij aangever hebben geholpen. De klap die aangever buiten nog heeft gekregen, heeft verdachte niet gegeven. Hij heeft hiervan ook niets gezien. Pas in de auto heeft verdachte van [betrokkene 3] gehoord dat er geweld was gebruikt tegen aangever.

De aangifte behelst, kort gezegd, het volgende. Aangever heeft bij aankomst bij zijn woning geconstateerd dat er was ingebroken. Toen hij de woning binnen kwam hoorde hij twee stemmen. Aangever werd vervolgens geconfronteerd met een man (hierna: man 1) die hem bij binnenkomst met twee handen bij de trui vastpakte en op luide toon zei: “Je geld, je geld, je geld”. Aangever heeft de man beetgepakt en heeft man 1 uiteindelijk van zich afgekregen. De man is hierop op de grond terechtgekomen. Op dat moment hoorde aangever ook de tweede man (hierna: man 2). Man 2 stond op de vlizotrap, met in zijn handen een kluisje. Aangever heeft man 2 bij zijn been gepakt, waardoor deze het kluisje uit zijn handen liet vallen. Aangever heeft daarop aan het been getrokken en man 2 is van de trap gevallen. Man 2 stond echter weer vlug op en vluchtte weg. Op het moment dat aangever achter man 2 aan wilde gaan is hij door man 1 op zijn achterhoofd en later op zijn arm geslagen met een breekijzer. Vervolgens is man 1 naar buiten gelopen. Aangever is hierop ook naar buiten gelopen. De twee mannen zijn weggevlucht. Aangever is nog achter de mannen aan gegaan. Op het moment dat de laatste over het hek wilde klimmen, stopte deze en maakte nog een slaande beweging naar achter waardoor aangever op zijn kaakgedeelte werd geraakt.

De echtgenote van aangever, [betrokkene 2], heeft verklaard dat zij haar echtgenoot naar buiten zag komen en dat zij zag dat hij bloed op zijn hoofd had.

Het hof acht bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak. De vraag ligt voor of ook sprake is geweest van het door verdachte medeplegen van het door de medeverdachte toegepaste geweld.
Het hof stelt voorop dat voor de toerekening van geweld, ingevolge het bepaalde in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, geen bewuste samenwerking bij en gezamenlijke uitvoering van dat geweld vereist is (vgl. HR 6 februari 1968, NJ 1969, 176).

Het hof maakt uit de aangifte op dat de eerste geweldpleging heeft plaatsgevonden voordat verdachte van boven in de woning naar beneden kwam. Het hof acht niet geloofwaardig dat verdachte van dit geweld niets heeft gehoord of gezien, nu er bij deze confrontatie op luide toon geld is geëist en er een korte worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de medeverdachte. Daarbij komt dat verdachte zich bevond op de slaapkamer van aangever, welke gesitueerd is op een vliering en waarnaar de vlizotrap direct toegang geeft. Verdachte bevond zich derhalve op zeer korte afstand van de plaats waar de worsteling heeft plaatsgevonden.
Ook constateert het hof dat verdachte zich kennelijk daarna telkens in de directe nabijheid van de geweldpleging door zijn medeverdachte jegens aangever heeft bevonden, maar ook hier naar eigen zeggen niets van heeft meegekregen. Dit acht het hof eveneens ongeloofwaardig.
Aan de verklaring van verdachte, dat hij niet heeft gezien dat aangever bloed aan zijn hoofd had toen deze de woning uit kwam, hecht het hof geen geloof.
Verdachte heeft, gelet op zijn verklaring tegenover het hof, veel waargenomen tijdens het plegen van het tenlastegelegde feit en heeft hierover gedetailleerd verklaard, maar waar het de geweldpleging door de medeverdachte betreft, heeft hij naar eigen zeggen niets gezien. Het hof acht deze selectieve waarneming niet begrijpelijk en ook niet geloofwaardig.

Het hof ziet geen reden om verdachte het door de medeverdachte toegepaste geweld niet toe te rekenen. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte bij de eerste confrontatie met aangever wist, dat zijn mededader geweld had gebruikt en dat deze kennelijk geweldpleging niet schuwde, en hij heeft niet getracht op een of andere wijze zijn mededader van verdere geweldpleging af te houden. Hij heeft naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er (nog meer) geweld door de medeverdachte zou worden gebruikt.
Verdachte heeft zich ook niet gedistantieerd van de geweldpleging, nu hij naar buiten is gelopen en daar op zijn mededader heeft staan wachten. Gelet op deze gedraging is het hof van oordeel dat verdachte zich achter de geweldpleging door de medeverdachte heeft geschaard en dat derhalve sprake is van het medeplegen hiervan.

Het hof is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de diefstal heeft gepleegd in vereniging met een ander, en dat aan verdachte kan worden toegerekend dat deze diefstal is gevolgd door geweld tegen [betrokkene 1].”

7. Vooropgesteld moet worden dat het bestanddeel “door twee of meer verenigde personen” als bedoeld in art. 312, tweede lid onder 2°, Sr – het in onderhavige zaak ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feit – kan worden opgevat als “medeplegen” in de zin van art. 47 Sr.(1) Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking met een ander vereist.(2) Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Hij moet echter wel een bijdrage hebben geleverd aan het delict. Een bewuste en nauwe samenwerking kan blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen, de aanwezigheid van de verdachte(n) ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan, waarbij moet worden opgemerkt dat het enkele zich niet distantiëren op zichzelf geen medeplegen kan opleveren, maar eerder aantoont dat men is blijven meedoen.(3) Het zich niet distantiëren dient in combinatie met een blijkende betrokkenheid te bestaan. Iemand die slechts als een volger of toeschouwer bij een door een ander gepleegd strafbaar feit aanwezig is, geldt dus niet als medepleger.(4)

8. Voor medeplegen geldt een dubbel opzetvereiste: het opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit één en ander ligt gezamenlijk reeds besloten in de voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een “bewuste en nauwe samenwerking” met betrekking tot – en dit kan niet anders – het begaan van het grondfeit. Dit opzet kan volgens De Hullu vrij globaal zijn; een wat andere afloop en invulling van het grondfeit dan de medepleger voor ogen stond, zit in het opzet van de medepleger ingebakken.(5) Voorts is niet vereist dat de verdachte op de hoogte is van de precieze gedragingen van zijn mededaders.(6) Zo kunnen verschillen worden weggewerkt via het voorwaardelijk opzet en de medepleger strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de handeling van de feitelijk pleger voor zover deze binnen het gezamenlijk opzet kan worden gebracht. Indien echter het opzet onderling teveel of wezenlijk uiteenloopt en de feitelijk pleger substantieel verder gaat dan waarop het opzet van de medepleger is gericht, kan de medepleger daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld en moet de medepleger naar zijn eigen opzet worden beoordeeld en gekwalificeerd. Alsdan kan geen ‘bewuste en nauwe samenwerking’ worden aangenomen en bepaalt het eigen opzet van de medepleger, en niet het opzet van de ander, de eigen aansprakelijkheid.(7)

9. Blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en de door het Hof gegeven bewijsoverweging heeft het Hof de volgende feitelijke gang van zaken vastgesteld. Verzoeker en de medeverdachte gaan op weg om in te breken in een woning en weten dat de bewoners niet thuis zijn. In de woning gaan zij op zoek naar geld. Verzoeker zoekt op de bovenverdieping die hij via een vlizotrap heeft betreden, de medeverdachte zoekt beneden. Dan komen de bewoners thuis. De medeverdachte pakt de bewoner [betrokkene 1] beet en roept dat hij geld wil. Er ontstaat een worsteling en de medeverdachte komt op de grond terecht. Vlak daarna komt verzoeker met een kluisje de vlizotrap afgelopen. [Betrokkene 1] draait zich om, ziet verzoeker op de trap en trekt hem aan zijn been, waarop verzoeker het kluisje laat vallen, van de trap valt en direct daarna wegvlucht. [Betrokkene 1] wil hem achterna rennen, maar wordt van achteren door de medeverdachte op zijn hoofd en op zijn arm geslagen met een breekijzer. De medeverdachte loopt naar buiten, naar verzoeker toe (die het kluisje bij zich zou hebben). De verdachten vluchten weg, achterna gezeten door [betrokkene 1] die bloed op zijn hoofd heeft. Verzoeker rent voorop, daarachter rent de medeverdachte. Verzoeker springt als eerste over het hek. Daarna volgt de medeverdachte. Net op het moment dat de medeverdachte over het hek wil klimmen, stopt hij en haalt hij met zijn rechterarm naar achteren uit, door welke slaande beweging [betrokkene 1] op zijn kaak wordt geraakt.

10. Het Hof leidt uit de feitelijke gang van zaken af dat verzoeker, anders dan hij zelf stelt, op het moment dat hij [betrokkene 1] onderaan de vlizotrap zag staan wist dat zijn medeverdachte geweld had gebruikt en dat deze kennelijk geweldpleging niet schuwde, en dat verzoeker niet heeft geprobeerd de medeverdachte van verdere geweldpleging af te houden, zodat verzoeker kan worden gezegd voorwaardelijk opzet te hebben gehad op het plegen van (nog meer) geweld door de medeverdachte. Verzoeker heeft zich naar het oordeel van het Hof evenmin gedistantieerd van de geweldpleging, nu hij naar buiten is gelopen en daar op de medeverdachte heeft staan wachten. Uit deze gedraging leidt het Hof weer af dat verzoeker zich achter de geweldpleging door de medeverdachte heeft geschaard en daarmee het geweld heeft medegepleegd.

11. Allereerst meen ik dat het Hof, door voorop te stellen dat voor het aan een medepleger toerekenen van het in art. 312 Sr bedoelde geweld geen bewuste samenwerking bij en gezamenlijke uitvoering van dat geweld vereist is, kennelijk heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat voor een bewuste en nauwe samenwerking het niet noodzakelijk is dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Zo verstaan, getuigt dit oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.

12. Wel meen ik dat uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen dat verzoeker wat het geweld betreft zo nauw en bewust met de medeverdachte heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedraging. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en in ogenschouw genomen omstandigheden, zoals hierboven onder 6 weergegeven, zijn naar mijn inzicht onvoldoende om te kunnen aannemen dat verzoeker zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat door de medeverdachte geweld zou worden gepleegd, en dat de bewezenverklaring dus in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.(8)

13. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Vaststaat dat aanvankelijk het opzet van verzoeker en zijn mededader niet gericht was op het gebruiken van geweld tegen de bewoners van de woning; zij wisten dat de bewoners elders waren toen zij gingen inbreken. Niet blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting of enig processtuk dat verzoeker en zijn medeverdachte gewapend waren of dat verzoeker wist dat de medeverdachte agressief van aard was. Verzoeker en zijn medeverdachte zijn dus de woning binnengegaan op het moment dat de bewoners, naar zij wisten, niet thuis waren. Voor verzoeker en de medeverdachte onverwachts, waren de bewoners weer teruggekeerd. Buiten aanwezigheid van verzoeker ontstond een worsteling tussen de medeverdachte en het slachtoffer, waarbij de medeverdachte op de grond terecht kwam. Het oordeel van het Hof dat verzoeker op het moment dat hij [betrokkene 1] onderaan de trap zag staan wist dat zijn mededader geweld had gepleegd is, meen ik, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen het Hof daaromtrent heeft vastgesteld niet zonder meer begrijpelijk. Dat verzoeker de medeverdachte vervolgens had moeten afhouden van verdere geweldpleging en dat uit het feit dat verzoeker dit niet heeft gedaan kan worden afgeleid dat hij voorwaardelijk opzet had op de geweldpleging die daarna volgde, getuigt mijns inziens – in het licht van hetgeen hierboven onder 7 en 8 met verwijzing naar rechtspraak en gezaghebbende strafrechtsliteratuur is opgemerkt – van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts volgt naar mijn mening de overweging van het Hof dat verzoeker zich niet zou hebben gedistantieerd van het door de medeverdachte gepleegde geweld niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Los daarvan is deze overweging niet begrijpelijk, nu het Hof in zijn bewijsoverweging ook naar voren heeft gebracht (op grond van de verklaring van het slachtoffer; bewijsmiddel 1) dat verzoeker wegvluchtte. Dat verzoeker buiten op de medeverdachte heeft staan wachten, betekent in het onderhavige geval niet dat hij zich niet heeft gedistantieerd van de geweldpleging, maar laat zich eerder hieruit verklaren dat verzoeker samen met de medeverdachte snel wilde wegrijden. In ieder geval kan uit deze, op de keper beschouwd enkele (aan de objectieve zijde gelegen) omstandigheid niet worden afgeleid dat verzoeker zich achter de geweldpleging van de medeverdachte heeft geschaard en derhalve het geweld heeft medegepleegd. Volledigheidshalve merk ik nog op dat gezien de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het Hof verzoeker evenmin strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de klap die de medeverdachte bij het hek aan het slachtoffer uitdeelde. Ook in dat verband is er geen bewuste en nauwe samenwerking.

14. Het middel slaagt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Van Schaik Advocaten

Ondanks bivakmuts en tie-wrap, vrijspraak.

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 15-09-2011
Datum publicatie: 20-09-2011
Zaaknummer: 16/711944-08 [P]
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Vrijspraak ten aanzien van overval. Veroordeling ter zake van belediging.

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],
geboren op [1984] te [geboorteplaats],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 september 2011.
Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman.
De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: samen met een ander of anderen sieraden, goud en geld heeft weggenomen uit een woning, welke diefstal werd vergezeld van bedreigingen en geweld;
Feit 2 primair: samen met een ander of anderen een personenauto heeft gestolen;
Feit 2 subsidiair: samen met een ander of anderen opzettelijk een personenauto heeft geheeld;
Feit 3: [aangeefster] heeft beledigd.

3 De voorvragen
3.1 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3, omdat dit feit door het openbaar ministerie enkel op de dagvaarding is gezet om te voorkomen dat er in het kader van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering een verzoek om schadevergoeding zal worden gedaan.
3.2 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer van de raadsman niet opgaat. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn als de politie en/of het openbaar ministerie ernstig inbreuk heeft/hebben gemaakt op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.

De rechtbank concludeert derhalve dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde, het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde en het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en feit 2 en wijst daarbij op het feit dat het aangetroffen dna-materiaal op de bivakmuts geen daderspoor is, nu er van meer personen celmateriaal is aangetroffen op de bivakmuts. Voorts wijst de raadsman erop dat niet vast te stellen is dat het celmateriaal op de tie-wrap van verdachte is. De raadsman is dan ook van mening dat er ten aanzien van feit 1 en 2 onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
De raadsman heeft verzocht feit 3 af te splitsen, omdat hij van mening is dat dit feit slechts is aangebracht door de officier van justitie, omdat te voorkomen dat de verdediging een procedure in het kader van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan starten.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair en feit 2 subsidiair
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Op 2 juni 2008 heeft er in Veenendaal een vreselijke overval plaatsgevonden. Uit het dossier komt naar voren dat deze overval is gepleegd door meerdere daders.

Met betrekking tot verdachte bevinden zich twee aanwijzingen voor zijn betrokkenheid in het dossier. Er is celmateriaal van verdachte aangetroffen op een bivakmuts, welke bivakmuts door één van de daders op het moment van de overval is gedragen. Voorts is er een gemengd dna-spoor aangetroffen op de tie-wrap waarmee één van de slachtoffers was vastgebonden waarvan niet valt uit te sluiten dat dit spoor van verdachte afkomstig is.

De raadsman heeft betoogd dat het celmateriaal op de bivakmuts ook op de bivakmuts kan zijn gekomen doordat verdachte de bivakmuts eerder heeft vastgepakt. De rechtbank overweegt daartoe dat dit volstrekt onaannemelijk is, omdat het celmateriaal aan de binnenkant van de bivakmuts is aangetroffen bij de opening in de muts voor de mond. De rechtbank stelt op basis van het aangetroffen celmateriaal vast dat verdachte de bivakmuts op enig moment heeft opgehad. De rechtbank kan echter niet vaststellen wanneer verdachte de bivakmuts heeft gedragen. Daarnaast is er ook celmateriaal van een ander dan verdachte aangetroffen op dezelfde plek op de bivakmuts. Dit betekent dat ook een ander persoon op enig moment de bivakmuts heeft gedragen. Voorts noemt getuige [getuige] de man die de bivakmuts droeg een negroïde man. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet uit het dossier dat verdachte als negroïde zou kunnen worden aangeduid. De rechtbank houdt daarom de mogelijkheid open dat ten tijde van de overval een ander dan verdachte de bivakmuts heeft opgehad.

Ten aanzien van het celmateriaal op de tie-wrap overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) kan niet uitgesloten worden dat het celmateriaal op de tie-wrap van verdachte is. De officier van justitie concludeert op basis van het NFI-rapport dat verdachtes dna-materiaal op de tie-wrap zit, omdat er wordt benoemd dat het dna-profiel van verdachte matcht met het onvolledige dna-mengprofiel op de tie-wrap. Deze conclusie is naar het oordeel van de rechtbank onjuist, nu in het rapport enkel staat dat verdachte niet uitgesloten kan worden als donor van dit celmateriaal en de kans dat het celmateriaal van een ander dan verdachte is niet berekend is. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat het celmateriaal op de tie-wrap van een ander dan verdachte afkomstig is.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en zij zal hem daarvan vrijspreken.

De onder feit 2 ten laste gelegde diefstal dan wel heling van een auto betreft de auto die is gebruikt bij de hiervoor benoemde overval te Veenendaal. Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder feit 1 tenlastegelegde, zal zij verdachte tevens vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Het bewijs ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Aangeefster [aangeefster] heeft verklaard dat zij op 13 april 2008 te Zeist voor de woning van haar vriend stond. Op dat moment kwam verdachte naar haar toelopen en begon tegen haar te schreeuwen. Hij riep naar haar “vieze vuile teringhoer” en “vuile teringjunk”. Aangeefster voelde en zag dat verdachte haar eenmaal in haar gezicht spuugde.

Aangeefster heeft tegen verdachte een klacht ingediend met een verzoek tot vervolging van verdachte.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde woorden heeft gebruikt tegen aangeefster. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster in haar gezicht heeft gespuugd.

Nadere overwegingen ten aanzien van feit 3
Ten aanzien van het verzoek van de raadsman om feit 3 af te splitsen, overweegt de rechtbank dat de grondslag van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering niet met zich meebrengt dat zaken worden afgesplitst om de verdediging in de gelegenheid te stellen om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen.
De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

3.
op 13 april 2008 te Zeist, opzettelijk beledigend [aangeefster] in haar gezicht heeft gespuugd en in haar tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “vuile vieze teringhoer en vuile teringjunk”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid
5.1 De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Feit 3: eenvoudige belediging.
5.2 De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 en feit 2, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman bepleit artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een eenvoudige belediging. De rechtbank beschouwt de termen die verdachte heeft gebruikt in combinatie met het spugen in het gezicht van aangeefster als ernstig.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 9 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte vele malen eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de brief die aangeefster heeft verzonden. In de brief staat dat aangeefster een aantal keer geprobeerd heeft haar aangifte in te trekken en tevens dat zij geen problemen meer ervaart met verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie ziet de rechtbank geen aanleiding tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7 De benadeelde partij
7.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat er onvoldoende bewijs tegen verdachte aanwezig is en verdachte dient te worden vrijgesproken.
Subsidiair, indien de rechtbank tot een veroordeling zou komen, is de raadsman van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen.
7.3 Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.024,52 voor feit 1.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag
8.1 De onttrekking aan het verkeer
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.
Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
8.2 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 27, 36b, 36d, 266 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing
De rechtbank:

Voorvragen
– verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak
– spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2, primair en subsidiair, ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring
– verklaart het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid
– verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Eenvoudige belediging;
– verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging
– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken;

– bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag
– verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 stk muts,
1 stk wapen (wapen en houder),
1 stk handschoen,
1 stk plastic (tie-wrap),

– gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
1 stk onderdelen (schrijfplaat);

Benadeelde partijen
– verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

– bepaalt dat ieder de eigen kosten draagt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 september 2011.

Van Schaik Advocaten

Vrijspraak voor oplichting door hertog.

Instantie: Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak: 01-07-2011
Datum publicatie: 01-07-2011
Zaaknummer: 06/940305-10 en 06/850746-10 (gevoegd ter terechtzitting)
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank veroordeelt de man die zich voordeed als hertog, door het vervalsen van stukken betreffende zijn identiteit, tot een gevangenisstraf van 12 maanden. De man is vrijgesproken van het meermalen plegen van oplichting, of van pogingen daartoe, rondom zijn voorgenomen kerkelijk huwelijk en zijn huwelijksfeest in 2010.

Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940305-10 en 06/850746-10 (gevoegd ter terechtzitting)
Uitspraak d.d.: 1 juli 2011
Tegenspraak / dip (2x), oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],
geboren te [plaats op 1972],
wonende te [plaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zutphen.
Raadsman: mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
15 april 2011 en 24 juni 2011.

De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
(parketnummer 06/940305-10)

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2007 tot en met 3 augustus 2010 in Nederland en/of België en/of elders in Europa,

a) een Koninklijk Besluit ([nummer]) (SVO D.0.1) en/of
b) een uittreksel uit het geboorteregister (SVO D.0.2) en/of
c) een brief van de gemeente Barneveld aan de Burgelijke Stand te Den Haan (België)(SVO E.0.4) en/of
d) twee, althans een document(en) van het Nederlands consulaat te Antwerpen, te weten: een verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap (SVO E.0.5) en/of een verklaring voor huwelijk (SVO E.0.6),

zijnde een authentieke akte en/of uittreksel en/of brief en/of document(en), althans (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk

a) op voornoemd Koninklijk Besluit aan zijn (verdachtes) naam de woorden toegevoegd:
– “[naam 1] en/of [voornaam 2]-” en/of
– “als wettige zoon van [voornaam 3], Hertog [naam 4 naam 1] en [naam 5]”,
en/of
b) op voornoemd uittreksel uit het geboorteregister een aantekening toegevoegd met de woorden: “goedgevonden en verstaan [naam 4 naam 1] [nummer]
Kon. Besluit. [naam 6]”,
en/of
c) in voornoemde brief van de gemeente Barneveld aangegeven dat de geslachtsnaam van ‘[naam]’ officieel is gewijzigd in ‘[naam 4 naam 1]’,
en/of
d) op voornoemd(e) document(en) van het Nederlands consulaat te Antwerpen (telkens) aan de naam [naam 4] het woord toegevoegd: “/[naam 1]”,

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
art 226 lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2007 tot en met 3 augustus 2010 in Nederland en/of België en/of elders in Europa, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of voorhanden heeft gehad

a) een vals en/of vervalst Koninklijk Besluit ([nummer]) en/of
b) een vals en/of vervalst uittreksel uit het geboorteregister en/of
c) een valse en/of vervalste brief van de gemeente Barneveld en/of
d) twee, althans een vals(e) en/of vervalst(e) document(en) van het Nederlands consulaat te
Antwerpen,

zijnde een authentiek(e) akte en/of uittreksel en/of brief en/of document(en), althans (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaand dat gebruikmaken hierin dat hij voornoemde geschriften heeft getoond en/of heeft overhandigd aan [notaris], notaris te [plaats] en/of een of meer medewerker(s) van die notaris en/of een of meer andere personen, en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat

a) op voornoemd Koninklijk Besluit aan zijn (verdachtes) naam de woorden zijn toegevoegd:
– “[naam 1] en/of [voornaam 2]-” en/of
– “als wettige zoon van [voornaam 3], Hertog [naam 4 naam 1] en [naam 5]”,
en/of
b) op voornoemd uittreksel uit het geboorteregister een aantekening is toegevoegd met de
woorden: “goedgevonden en verstaan [naam 4 naam 1] [nummer]
Kon. Besluit. [naam 6]”,
en/of
c) in voornoemde brief van de gemeente Barneveld staat vermeld dat de geslachtsnaam van ‘[naam]’ officieel is gewijzigd in ‘[naam 4 naam 1]’,
en/of
d) op voornoemd(e) documenten van het Nederlands consulaat te Antwerpen (telkens) aan de naam [naam 4] het woord is toegevoegd: “/[naam 1]”;
art 226 lid 2 Wetboek van Strafrecht
art 226 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Apeldoorn en/of Kampen en/of Utrecht en/of Hengelo en/of Oude Wetering, althans in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a) Museum Paleis “’t Loo”, in de persoon van [slachtoffer A] en/of
b) [kledingbedrijf slachtoffer B]”, in de persoon van [slachtoffer C] en/of
c) Autobedrijf “[slachtoffer D]]”, in de persoon van [slachtoffer E] en/of
d) Taxibedrijf “[slachtoffer F]”, in de persoon van [slachtoffer G] en/of
e) [bedrijf slachtoffer H], in de persoon van [slachtoffer I] en/of
f) Bloemenbedrijf [slachtoffer J], in de persoon van [slachtoffer K] en/of

een of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot het verlenen van een of meer dienst(en) en/of tot de afgifte van een of meer goed(eren), te weten:

a) het ter beschikking stellen (verhuur) van een feestzaal en/of
b) het vervaardigen van kleding en/of
c) het ter beschikking stellen (verhuur) van zestien, althans een of meer auto’s en/of
d) het verzorgen van een of meer taxiritten (pendeldiensten) en/of
e) het optreden als ceremoniemeester en/of ter beschikking stellen van zes, althans een of meer butlers en/of
f) het leveren van bloemen en/of bloemstukken,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

zich (telkens) voorgedaan als een persoon van adel en/of als de heer [naam 4] [naam 1] en/of medegedeeld dat de rekeningen naar “[naam foundation]”, ter attentie van [naam 4 naam 1] konden worden gestuurd en/of in mailverkeer en/of elders zich voorgedaan als [persoonlijke secretaris], zijnde de persoonlijke secretaris van de heer [naam 4] [naam 1],

waardoor voornoemde [slachtoffer A] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer G] en/of [slachtoffer I] en/of [slachtoffer K] en/of een of meer andere personen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of het verlenen van bovengenoemde dienst(en);
art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Apeldoorn en/of Kampen en/of Utrecht en/of Hengelo en/of Oude Wetering, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a) Museum Paleis “’t Loo”, in de persoon van [slachtoffer A] en/of
b) [kledingbedrijf slachtoffer B]”, in de persoon van [slachtoffer C] en/of
c) [Autobedrijf slachtoffer D]”, in de persoon van [slachtoffer E] en/of
d) Taxibedrijf “[slachtoffer F]”, in de persoon van [slachtoffer G] en/of
e) [bedrijf slachtoffer H], in de persoon van [slachtoffer I] en/of
f) Bloemenbedrijf [slachtoffer J], in de persoon van [slachtoffer K],

(telkens) te bewegen tot de afgifte van goederen en/of diensten, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

hebbende verdachte zich (telkens) voorgedaan als een persoon van adel en/of als de heer [naam 4] [naam 1] en/of medegedeeld dat de rekeningen naar “[naam foundation]”, ter attentie van [naam 4 naam 1] konden worden gestuurd en/of in mailverkeer en/of elders zich voorgedaan als [persoonlijke secretaris], zijnde de persoonlijke secretaris van de heer [naam 4] [naam 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 45 Wetboek van Strafrecht
art 326 Wetboek van Strafrecht

(parketnummer 06/850746-10)

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Oudenbosch en/of Oosterhout, althans in Nederland,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

1) Basiliek Oudenbosch, in de persoon van [slachtoffer L] en/of
2) Bloemenhuis “[slachtoffer M]”, in de persoon van [slachtoffer N] en/of

een of meer andere personen (telkens) heeft bewogen tot het verlenen van een of meer dienst(en) en/of tot de afgifte van een of meer goed(eren), te weten:

1) het beschikbaar stellen van de basiliek/kerk en/of het verrichten van een kerkelijke
huwelijkssluiting en/of
2) het leveren van bloemen en/of bloemstukken,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich (telkens) voorgedaan als een persoon van adel en/of als de heer [naam 4] [naam 1] en/of medegedeeld dat de rekeningen naar “[naam foundation]”, ter attentie van [naam 4 naam 1] konden worden gestuurd en/of in mailverkeer en/of elders zich voorgedaan als [persoonlijke secretaris], zijnde de persoonlijke secretaris van de heer [naam 4] [naam 1],

waardoor voornoemde [slachtoffer L] en/of [slachtoffer N] en/of een of meer andere personen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of het verlenen van bovengenoemde dienst(en);
art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 augustus 2010 te Oudenbosch en/of Oosterhout, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

1) Basiliek Oudenbosch, in de persoon van [slachtoffer L] en/of
2) Bloemenhuis “[slachtoffer M]”, in de persoon van [slachtoffer N],

(telkens) te bewegen tot de afgifte van goederen en/of diensten, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

hebbende verdachte zich (telkens) voorgedaan als een persoon van adel en/of als de heer [naam 4] [naam 1] en/of medegedeeld dat de rekeningen naar “[naam foundation]”, ter attentie van [naam 4 naam 1] konden worden gestuurd en/of in mailverkeer en/of elders zich voorgedaan als [persoonlijke secretaris], zijnde de persoonlijke secretaris van de heer [naam 4] [naam 1],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 Wetboek van Strafrecht
art 326 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte ter zake van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 1, eerste gedeelte van de tenlastelegging, tenlastegelegde, te weten – kort gezegd – het vervalsen van de diverse documenten. Verdachte heeft al die documenten weliswaar vervalst, maar hij heeft dat in België gedaan. De artikelen 2, 3 en 5 van het Wetboek van Strafrecht zijn alle niet van toepassing op dit feit.

2. De officier van justitie heeft hier tegenover gesteld dat feit 1 van parketnummer 06/940305-10 in zijn geheel moet worden bezien. De documenten zijn eerst in België door verdachte vervalst (eerste gedeelte van feit 1) en vervolgens in Nederland door hem gebruikt toen er op zijn verzoek stempels op de documenten zijn geplaatst door een notaris (tweede gedeelte van feit 1). Deze samenhang maakt dat het openbaar ministerie wel degelijk ontvankelijk is.

3. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 5, eerste lid, 2°, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. De rechtbank stelt vast dat in casu aan genoemde voorwaarden is voldaan, zodat het gevoerde verweer wordt verworpen. De rechtbank verwijst daartoe naar de artikelen 196 en 197 van het Belgisch Strafwetboek.
Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte, ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

4. Op 15 april 2010 te Brugge (België) is het burgerlijk huwelijk tussen verdachte en zijn vrouw gesloten. Op 1 mei 2010 zou het kerkelijk huwelijk in de basiliek te Oudenbosch worden bevestigd en zou er daarna een groots feest in een zaal van Paleis Het Loo te Apeldoorn worden gehouden. Verdachte heeft voor dit kerkelijk huwelijk en het huwelijksfeest diverse bedrijven ingeschakeld voor het verlenen van diensten en het leveren van diverse goederen. Eén dag voor het kerkelijk huwelijk en het huwelijksfeest, te weten op 30 april 2010, is verdachte aangehouden in verband met nog openstaande vonnissen. Na de aanhouding van verdachte is tegen hem door een achttal bedrijven en/of personen aangifte van oplichting dan wel van een poging daartoe.

Ten aanzien van parketnummer 06/940305-10 onder feit 1

Standpunt van het openbaar ministerie

5. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 1 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

6. Door en namens verdachte is erkend dat hij de diverse – in de tenlastelegging – genoemde documenten heeft vervalst en dat hij daar vervolgens gebruik van heeft gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

7. Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, waarbij de rechtbank zich baseert op de volgende bewijsmiddelen:

– De bekennende verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzittingen van
15 april 2011 en 24 juni 2011;
– Een afschift conform het origineel van het Koninklijk Besluit van 22 november 2007, nr. 07-003786 en een afschrift van dit besluit met daarop de door verdachte aangebrachte wijzigingen en een stempel van notaris [notaris] te [plaats]2;
– De verklaring van getuige [getuige 1], teamleider afdeling Koninklijke Besluiten3;
– Het uittreksel uit het geboorteregister en een afschrift van dit uittreksel met daarop de door verdachte aangebrachte wijzigingen en een stempel van notaris [notaris] te [plaats]4;
– Een afschrift van een brief aan de Burgerlijke stand te De Haan in België van 19 februari 2010, afkomstig van de gemeente Barneveld met daarop een stempel van notaris [notaris] te [plaats]5 en een voorbeeld van het door de gemeente Barneveld gebruikte briefpapier6
– De verklaring van getuige [getuige 2], hoofd publiekzaken van de gemeente Barneveld7;
– De verklaring van getuige [getuige 3]8;
– Een afschrift van de verklaring omtrent bezit van Nederlanderschap en een door verdachte opgestelde verklaring omtrent bezit van Nederlanderschap met daarop een stempel van notaris [notaris] te [plaats]9;
– Een afschrift van een verklaring voor huwelijk met daarop een stempel van notaris [notaris] te [plaats]10;
– De verklaring van getuige [notaris]11;
– De verklaring van getuige [getuige 4]12.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte deze aan hem ten laste gelegde feiten gaaf en onomwonden heeft erkend, is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van parketnummer 06/940305-10 feit 2 en parketnummer 06/850746-10

Standpunt van het openbaar ministerie

8. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van oplichting. Verdachte heeft een achttal bedrijven/mensen opgelicht. Zo heeft verdachte een valse naam en meerdere valse hoedanigheden aangenomen (te weten de naam [naam 4 naam 1], de titel hertog en heeft hij een niet bestaande persoon opgevoerd, zijnde de heer [persoonlijke secretaris]) en heeft hij zich bediend van een niet bestaand bedrijf (te weten de [naam foundation]). Verdachte heeft zodoende bij alle bedrijven/mensen de indruk gewekt dat hij van goeden huize was en dat hij aldus wel in staat zou zijn om de diverse betalingen te verrichten.

Standpunt van de verdediging

9. Door en namens verdachte is – samengevat – aangevoerd dat er in het geheel geen sprake is geweest van oplichting. Verdachte heeft zoals te doen gebruikelijk in het handelsverkeer met meerdere bedrijven en leveranciers afspraken gemaakt. Vrijwel al die afspraken zijn nagekomen. De redenen dat enkele afspraken niet, dan wel vertraagd, zijn nagekomen, zijn enerzijds gelegen in de omstandigheid dat verdachte door zijn aanhouding op 30 april 2010 niet meer in staat was om deze afspraken (tijdig) na te komen en anderzijds omdat er met betrekking tot enkele bedrijven en leveranciers sprake was en/of is van een civiel dispuut. Het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, kan bovendien niet worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting dan wel (een) poging(en) daartoe. Zij zal verdachte derhalve van het onder parketnummer 06/940305-10 onder feit 2 en het onder parketnummer 06/850746-10 ten laste gelegde integraal vrijspreken. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

11. In het dagelijkse taalgebruik, de volksmond, wordt de term “oplichting” al snel gebruikt, wanneer iemand zichzelf ten koste van een ander verrijkt door middel van leugens, trucjes of een handigheid. Gevallen die men voorts geregeld als oplichting betitelt, zijn strikt genomen veeleer te beschouwen als gevallen van civielrechtelijke wanprestatie (als bedoeld in artikel 6:74 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).

Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, is uitsluitend sprake wanneer iemand met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed. Wil er daarom in strafrechtelijke zin van oplichting sprake zijn, dan moet er iemand zijn bewogen door één of meer van deze oplichtingsmiddelen. Deze middelen moeten daartoe bestemd en geschikt zijn geweest. Het slachtoffer moet bovendien daadwerkelijk door zo’n middel zijn misleid. De afgifte van het goed dan wel de levering van de dienst moet zodoende zijn veroorzaakt door het oplichtingsmiddel. Samengevat: er moet een causaal verband bestaan tussen de vrijwillige afgifte van het goed dan wel de vrijwillige levering van de dienst en het gebruikte middel.

12. In de onderhavige zaak heeft verdachte goederen en diensten besteld/afgenomen bij een achttal in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Al die bedrijven hebben aangifte gedaan van oplichting of poging daartoe. De rechtbank heeft al die aangiftes zorgvuldig bekeken en het is opgevallen dat geen van de aangevers heeft verklaard dat zij door de ‘leugens’ van verdachte omtrent zijn naam en/of hoedanigheid zijn bewogen tot het leveren van goederen en/of diensten. Verdachte maakte weliswaar in een groot aantal van de contacten gebruik van een valse naam (in die zin dat hij in plaats van zijn naam [naam 4], de naam [naam 4] [naam 1] bezigde), maar het is niet zo dat hij daardoor de personen/bedrijven bewoog om met hem een transactie te sluiten. Ook het eenmalig gebruik van de titel hertog, in de contacten met Paleis Het Loo, had dat effect niet. In de contacten met de diverse bedrijven komt ook enkele malen de persoon [persoonlijke secretaris] voor. Aan het bestaan van die persoon kan ernstig worden getwijfeld, gelet op de diverse verklaringen van getuigen en bevindingen van de Belgische justitie op dit punt, maar het zij herhaald, dat verdachte mogelijk valselijk de indruk heeft gewekt de beschikking te hebben gehad over een persoonlijk secretaris dan wel dat hij zich daarvoor uitgaf, heeft geen van de bedrijven ‘over de streep’ getrokken om met hem in zee te gaan. Ten slotte heeft het gebruik door verdachte van de naar het zich laat aanzien niet bestaande firma ‘[naam foundation]’ evenmin dat resultaat gehad. Vrijwel alle bedrijven vonden de verhalen en presentatie van verdachte weliswaar, zakelijk weergegeven, wat over de top, maar geen der bedrijven heeft gesteld zich misleid te voelen. Dat gevoelen kwam bij hen pas op toen zij er mee geconfronteerd werden, dat verdachte in verband met openstaande vonnissen was aangehouden en dat hij hun rekeningen nog niet had betaald. Verdachte bleek, zo werd hen verteld, een landelijk bekende oplichter te zijn.

Het gedrag van verdachte roept uiteraard de nodige vraagtekens op. Waarom hij het nodig heeft geoordeeld om in de contacten met de diverse bedrijven op tal van punten allerlei grootspraak te verkondigen, is niet duidelijk geworden. Het verkondigen van grootspraak en hier en daar enkele leugens, is vanzelfsprekend bijzonder hinderlijk in het handelsverkeer. Echter indien door die grootspraak en leugens niemand is overgehaald dan wel misleid, kan er geen sprake zijn van oplichting. Mogelijk dat verdachte wel civielrechtelijk de gevolgen van zijn handelen zal moeten ondervinden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 06/940305-10 onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 22 november 2007 tot en met 3 augustus 2010 in België,

a) een Koninklijk Besluit ([nummer]) en
b) een uittreksel uit het geboorteregister en
c) een brief van de gemeente Barneveld aan de Burgerlijke Stand te Den Haan (België) en
d) twee documenten van het Nederlands consulaat te Antwerpen, te weten: een verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap en een verklaring voor huwelijk,

zijnde een authentieke akte en/of brief en/of document, althans (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst,
immers heeft verdachte valselijk

a) op voornoemd Koninklijk Besluit aan zijn (verdachtes) naam de woorden toegevoegd:
– “[naam 1] en [voornaam 2]-” en
– “als wettige zoon van [voornaam 3], Hertog [naam 4 naam 1] en [naam 5]”, en
b) op voornoemd uittreksel uit het geboorteregister een aantekening toegevoegd met de woorden: “goedgevonden en verstaan [naam 4 naam 1] [nummer] Kon. Besluit. [naam 6]”, en
c) in voornoemde brief van de gemeente Barneveld aangegeven dat de geslachtsnaam van ‘[naam]’ officieel is gewijzigd in ‘[naam 4 naam 1]’, en
d) op voornoemde documenten van het Nederlands consulaat te Antwerpen (telkens) aan de naam [naam 4] het woord toegevoegd: “/[naam 1]”,

zulks met het oogmerk om die geschriften (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

EN

hij in de periode van 22 november 2007 tot en met 3 augustus 2010 in Nederland en/of België,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en voorhanden heeft gehad
a) een vervalst Koninklijk Besluit ([nummer]) en
b) een vervalst uittreksel uit het geboorteregister en
c) een vervalste brief van de gemeente Barneveld en
d) twee vervalste documenten van het Nederlands consulaat te Antwerpen,

zijnde een authentieke akte en/of brief en/of document(en), althans (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaand dat gebruikmaken hierin dat hij voornoemde geschriften heeft getoond
en heeft overhandigd aan [notaris], notaris te [plaats] en een
of meer medewerkers van die notaris en/of een of meer andere personen,
en bestaande die vervalsing hierin dat

a) op voornoemd Koninklijk Besluit aan zijn (verdachtes) naam de woorden zijn toegevoegd:
– “[naam 1] en [voornaam 2]-” en
– “als wettige zoon van [voornaam 3], Hertog [naam 4 naam 1] en [naam 5]”,
en
b) op voornoemd uittreksel uit het geboorteregister een aantekening is toegevoegd met de woorden: “goedgevonden en verstaan [naam 4 naam 1] [nummer] Kon. Besluit. [naam 6]”,
en
c) in voornoemde brief van de gemeente Barneveld staat vermeld dat de geslachtsnaam van ‘[naam]’ officieel is gewijzigd in ‘[naam 4 naam 1]’,
en
d) op voornoemde documenten van het Nederlands consulaat te Antwerpen (telkens) aan de naam [naam 4] het woord is toegevoegd: “/[naam 1]”.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

parketnummer 06/940305-10 feit 1:

valsheid in geschrift en
valsheid in geschrift terwijl zij is gepleegd in een authentieke akte, meermalen gepleegd

en

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst en
opzettelijk gebruik maken van enig in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vermeld vervalst geschift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

13. Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

14. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 1/2 jaar, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

15. Ten aanzien van een eventuele strafoplegging voor het onder feit 1 van parketnummer 06/940305-10 ten laste gelegde is door en namens verdachte naar voren gebracht dat een lagere straf passend is dan door de officier van justitie is geëist, waarbij tevens gedacht kan worden aan een deels voorwaardelijke straf, een geldboete of een werkstraf.

16. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

17. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervalsen van meerdere authentieke akten en een brief. Hij heeft op deze documenten zelf wijzigingen aangebracht. Vervolgens heeft hij deze documenten aangeboden aan een notaris teneinde van deze stukken gewaarmerkte afschriften te laten maken. Door zijn handelwijze heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in dergelijke stukken in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Het vervalsen van de stukken heeft nota bene tot gevolg gehad, dat in België een burgerlijk huwelijk is gesloten, mede op grond van die vervalste stukken.

18. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie bij herhaling is veroordeeld tot langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, onder meer voor valsheid in geschrift. Hij laat zich aan die veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen kennelijk niets gelegen liggen.

19. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het omvangrijke strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Ook niet in de door verdachte uiteengezette contacten die hij heeft gehad met (medewerkers van) het Team Getuigen Beschermingsprogramma (TGB), die hem als het ware ‘gedwongen’ zouden hebben om de documenten te vervalsen. Het antwoord op de vraag of verdachte nu wel of niet met toestemming van een medewerker van het TGB zijn naam heeft aangevuld met “[naam 1]” kan in het midden blijven, nu niet in geschil is dat hij zonder toestemming van welke instantie dan ook eigenmachtig de documenten heeft vervalst. Enige strafmitigerende omstandigheid is op dit punt dan ook niet aan de orde. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden passend en geboden.

Vorderingen tot schadevergoeding

20. De benadeelde partij [slachtoffer E] h/o [slachtoffer D] autobedrijf], gevestigd aan de [adres, plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.425,38 (exclusief BTW) en vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 2 ten laste gelegde.
De benadeelde partij [slachtoffer F] Taxi BV, gevestigd aan de [adres, plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 7.958,87 (inclusief BTW) en vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [bedrijf slachtoffer H], gevestigd aan de [adres, plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 11.152,- (exclusief BTW) en vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer K] ([bloemenbedrijf slachtoffer J]), gevestigd aan de [adres, plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.860,- (exclusief BTW) en vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij RK Parochie HH Agatha en Barbara, gevestigd aan [adres, plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrag van € 2.812,68 en vermeerderd met de wettelijke rente, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/850746-10 ten laste gelegde.

21. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, nu verdachte is vrijgesproken van het onder parketnummer 06/940305-10 onder 2 en onder parketnummer 06/850746-10 ten laste gelegde. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen nog wel bij de burgerlijke rechter aanhangig maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 225 en 226 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 06/940305-10 onder feit 2 en het onder parketnummer 06/850746-10 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 06/940305-10 onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

(06/940305-10 feit 1)

valsheid in geschrift en valsheid in geschrift terwijl zij is gepleegd in een authentieke akte, meermalen gepleegd

en

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst en
opzettelijk gebruik maken van enig in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vermeld vervalst geschift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* verklaart de volgende benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
(ten aanzien van parknetnummer 06/940305-10 feit 2)
– [bedrijf slachtoffer H] / de heer [slachtoffer I];
– [slachtoffer E] h/o [slachtoffer D] autobedrijf] bv;
– [slachtoffer K] ([bloemenbedrijf slachtoffer J]);
– [slachtoffer F] Taxi BV;
(ten aanzien van parketnummer 06/850746-10)
– RK Parochie HH Agatha en Barbara;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Verheul en Aufderhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2011.

Mr Aufderhaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Van Schaik Advocaten

Deprivation of profits

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage
Datum uitspraak: 16-12-2010
Datum publicatie: 18-08-2011
Zaaknummer: 09/751003-04 (English translation deprivation case)
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Translation of BO7552.
Deprivation of profits. Poisonous gass attacks on Kurds by Saddam Hussein in the eighties of the 20th century. Estimated profits obtained by means of or from the criminal offences proven, can be deprived. Causal relationship between these offences and the illegally obtained profits.
JUDGMENT (English translation, see BO7552)

THE HAGUE DISTRICT COURT

Criminal Law Section
Three-judge division
Public Prosecutor’s Office number 09/751003-04
Date of the judgment: 16 December 2010
Judgment under Article 36e SR (Dutch Criminal Code)
(PROMIS)

Decision of the The Hague District Court, giving judgment in criminal cases, on the demand of the Public Prosecutor under Article 36e of the Criminal Code in respect of the person sentenced:

[name person sentenced]
born in [place of birth] on [date] 1942,
at present for other reasons detained in the [Penal Institution]

1. The court hearing.

The demand was heard on the hearing of 28 August 2008 and 11 November 2010.

On behalf of the person sentenced Mr. L.P.A. van Schaik LL.M., lawyer in Veenendaal, appeared at the hearing, who is expressly authorized by the person sentenced to defend him at the hearing and was heard on the demand.

The hearing of the demand was suspended at the court session of 28 August 2008 for the purpose of the – upon the request of the defence – investigation to be conducted by the public prosecutor into still existing administration of the costs incurred by the person sentenced at the Banco del Gottardo in Lugano (Switzerland) and for the purpose of exchanging statements of defence, statements of reply and rejoinders.

2. The demand.

2.1. Standpoint of the public prosecutor

The initiatory written demand of the public prosecutor is to the effect that the court determines the amount the illegally obtained profits as meant in Article 36e, fourth paragraph of the Criminal Code, is estimated at, and imposes on the person sentenced the obligation to pay to the State the estimated profits to an amount of € 2,225,544.59.

The public prosecutor bases himself in this case on the official report made under oath of office “in relation to deprivation of the illegally obtained profits” (1) . The conclusion of this official report is, that the total profits illegally obtained by the person sentenced from supplies of raw materials to Iraq amounts to a maximum of (converted from Dutch guilders into euro’s) € 2,225,544.59.
At the court session of 28 August 2008 the public prosecutor changed the demand at the statement of claim in such a sense that the illegally obtained profits are estimated at an amount of
€ 1,086,976.58, being the profits the person sentenced obtained from supplies of TDG, and that on the person sentenced the obligation is imposed to pay afore-mentioned amount to the State. At converting the US dollars into euro’s the public prosecutor started from an average of the exchange rates of the US dollar with regard to the Dutch guilder in the years 1984 to 1989, as these are published on the website of the Nederlandse Bank.
At the court session of 11 November 2010 the public prosecutor persisted in the demand, as changed at the statement of claim at the court session of 28 August 2008.

2.2 Standpoint of the defence

At the statement of defence at the court session of 11 November 2010 Mr Van Schaik principally adopted the standpoint that the demand should be rejected, as the defence rights are violated and that therefore there is an unfair trial in this deprivation case.
Hereto the argument was put forward that the demand of the public prosecutor was the result of an estimate without taking into account the costs to be deemed plausible, whereas because of the detention of the person sentenced and the absence of any administration the defence had not been able to produce a (counter) estimate of the costs incurred by the person sentenced.
Alternatively it was argued that the person sentenced earned 300,000 to 400,000 US dollars in the period of 1984 up to and including 1987 and that this amount concerns his total profits in relation to the transactions of all chemical substances in this period.

2.3 Reaction of the public prosecutor

At the statement of reply the public prosecutor opposed the principal standpoint of the defence, referring to legal history and jurisprudence of the Supreme Court. According to the public prosecutor it can be derived from this that it is up to the person sentenced to make it plausible that he incurred costs which should be deducted at the determination of the amount of the estimated profits.

2.4 Opinion of the court

Previous decisions of the Supreme Court (2) show that neither the law nor jurisprudence gives the court officially the obligation to take into account the costs incurred by the person sentenced for committing the criminal offence. Neither does any legal rule give the court the obligation to conduct an investigation into cost items of the person sentenced. The court is free to whether or not take into account any costs incurred and also to what extent it wants to take these costs into account. It is up to the person sentenced to make it plausible that he incurred costs and it is also his risk if he is not able to submit against the calculation of the public prosecutions department the costs he incurred, motivated and proven by evidence.
Therefore the court rejects the defence of the defence.

3. Applicable law.

3.1. Deprivation order applicable to war crimes?

On 9 May 2007 the person sentenced was sentenced by final and conclusive (3) judgment of the The Hague court of appeal because of – in summary – being an accessory to complicity in being a co-perpetrator of war crimes, made punishable in the Articles 8 Criminal Law in Wartime Act in conjunction with the Articles 47 and 48 of the Criminal Code.
In 1983 the order for deprivation of illegally obtained profits was introduced in the general criminal law by way of the Financial Penalties Act (4) . The first question to be answered in relation hereto is whether the deprivation order can be imposed in respect of crimes made punishable in the Criminal Law in Wartime Act.
Article 91 of the Criminal Code provides that the provisions of that code are also applicable to offences for which other laws impose a punishment, unless the law determines otherwise. As Article 2 of the Criminal Law in Wartime Act (5) forms the basis for applicability of the provisions of the Criminal Code to crimes made punishable in the Criminal Law in Wartime Act, and furthermore in this article of law or in other articles of the Criminal Law in Wartime Act no provisions are included which contain an exception in respect of the deprivation order, the court establishes that the deprivation order can be imposed in respect of war crimes.

The court subsequently went into the question which formal and material law if applicable in this procedure.

3.2. Material law

Since 1982 the deprivation legislation was amended twice, namely in 1993 (6) and in 2003 (7) . The offences for which the person sentenced was sentenced under afore-mentioned judgment, are committed in the period of 19 April 1984 up to and including 25 August 1988. At the amendment to the Act in 1993 no transitory law was decided by the legislator. In the explanatory memorandum (8) the legislator writes with regard to this:

“In the opinion of the undersigned the proposed amendments to the Act do not require any special transitory provisions. (…) As for the material provisions the provision of Article 1, second paragraph, of the Criminal Code applies. In the opinion of the undersigned this means that in particular the extended scope of application of Article 36e Criminal Code, on the one hand in the second paragraph as regards the profits obtained by means of or from the proceeds of similar offences and on the other hand in the third paragraph as regards the illegal profits obtained also in any other way – cannot be made applicable with retroactive force (…) .”

As from 1983 to 1 March 1993 it was in case of a deprivation order necessary to determine a detention for a term not exceeding six months. As from 1 March 1993 to 1 September 2003 it was in case of a deprivation order necessary to determine a detention for a term not exceeding six years. As from 1 September 2003 the detention in case of a deprivation order was cancelled.

When the Act was amended in 2003 the legislator decided on a transitory provision in Article V. In the explanatory memorandum (9) the legislator writes with regard to this:

“Article I concerns adjustments of the material criminal law. They are governed by Article 1 Criminal Code. This implies that the adjustment of Article 24, in so far as relevant, can also be relevant for criminal offences which were committed prior to the present legislative proposal taking effect; the fact that partial payments can be translated into reducing a detention by the criminal court, is actually a change for the benefit of the person sentenced. It can for that matter also be derived from Article 577b Code of Criminal Procedure taking effect, that obligations to pay – also the ones imposed prior to this law – are on this basis eligible to reduction. Article 577b is a formal criminal provision which can be applied immediately with regard to all nonpunitive orders already imposed.

The adjustment of Article 36e Criminal Code can be characterized as a change to the disadvantage of the suspect. The criminal court is at this moment, according to the judge-made law of the Supreme Court, at the moment of imposing the obligation to pay obliged to take into account the person’s sentenced possibilities to pay. This implies that these adjustment does not have any significance for the deprivation order that is based on a criminal offence committed prior to this legislative proposal taking effect”.

At its judgment of 24 April 2007 (10) the Supreme Court decided that ” (..) An exception for cases in which an obligation to pay was imposed for the purpose of deprivation of illegally obtained profits with regard to offences committed before 1 March 1993, as here is the case, the text of the transitory provisions does not provide for. Legal history does not give any lead hereto either. Cancellation of the detention as from 1 September 2003 must be regarded as a change in legislation as meant in Article 1, second paragraph, Criminal Code. The law applicable after 1 September 2003 must be regarded as more favourable for the person concerned, as the order for detention cannot be given anymore. Therefore it cannot be derived from Article 1 Criminal Code, as the remedy wants, that the regulation of detention applicable before, must be applied. ”

On the basis of legal history and afore-mentioned judgment of the Supreme Court the court is of the opinion that in this case the former provision of Article 36e paragraph 1 Criminal Code is applicable, as this was applicable until 1 March 1993 ( 11) , i.e. the for the person sentenced most favourable provision in the sense of Article 1, second paragraph, of the Criminal Code, but without determining any detention.
This judgment implies that exclusively the estimated profits obtained by means of or from the criminal offences proven, can be deprived and that one must be able to prove the causal relationship between these offences and the illegally obtained profits.

3.3. Formal law

In general prosecution provisions have effect immediately after amendment, as provided in Article 1 of the Code of Criminal Procedure, unless transitory law makes an exception to this. In a deprivation case the Supreme Court judged (12) that reasonable explanation of a passage from the explanatory memorandum implies that the intention of the legislator was to have new procedural provisions initially be applicable to criminal cases which on or after the effective date of the law were taken to court in the first instance.

Until the adjustments of the deprivation law in 1993 the deprivation order could exclusively be imposed as pecuniary sanction in case of a sentence because of a criminal offence in a criminal case. As from 1993 a separate deprivation procedure was mandatory decreed. In 2003 the deprivation legislation was last amended.. The criminal case against the person sentenced was taken to court in the first instance in 2005. This means that the present prosecution regulation of the deprivation procedure is applicable and that the demand for deprivation must be taken to court in a separate procedure, as was done is this case.

4. Entitlement of the public prosecutor to bring a demand.

As the present prosecution regulation of the deprivation procedure is applicable in this case and the demand for deprivation has been taken to court in a separate procedure, the public prosecutor is so far entitled to bring the demand. The court subsequently went into the question whether the public prosecutor is also otherwise entitled to bring the demand.
In the criminal case of the person sentenced the public prosecutors expressed at the court session of the court on 7 December 2005 their intention to bring a deprivation demand to court (13) , as is required pursuant to Article 311, first paragraph, of the Code of Criminal Procedure.
Article 511b, first paragraph, of the Code of Criminal Procedure requires that the demand must be taken to court not later than two years after the judgment in the first instance.
On 23 December 2005 the court pronounced its judgment in the criminal case of the person sentenced. On 11 December 2007 the public prosecutor submitted the demand. Therefore the demand was submitted in time and the court deems the public prosecutor also otherwise entitled to bring the demand.

5. Basis for the demand

The The Hague court of appeal has against the person sentenced declared proven – stated succinctly – that he has been guilty of being an accessory to complicity in being a co-perpetrator in respect of war crimes – offences 1 alternatively and 2 of the charges – the war crimes consisting of bringing chemical combat means into action against persons who were present on or around:
5 June 1987 in Zewa, situated in Iraq;
16 March 1988 in Halabja, situated in Iraq;
3 May 1988 in Goktapa (Gukk Tapah) , situated in Iraq;
11 April 1987 in Khorramshar, situated in Iran;
16 April 1987 in Alut, situated in Iran;
28 June 1987 in Sardasht, situated in Iran;
28 June 1987 in Rash Harmeh, situated in Iran;
22 July 1988 in Zardeh, situated in Iran;
2 August 1988 in Oshnaviyeh, situated in Iran;

and being an accessory to complicity in being a co-perpetrator in these war crimes consisting of deliberately supplying on the points in time in the period of 19 April 1984 up to and including 25 August 1988 thiodiglycol (TDG) to the (Republic of) Iraq, meant for the production of mustard gas.

The court takes afore-mentioned proven offences into account as basis of the demand.

On the basis of the hearing at the court session the court is of the opinion that the person sentenced has by means of the afore-mentioned criminal offences illegally obtained profits.

6. The calculation of the illegally obtained profits.

6.1 Articles of evidence

The court bases its conviction that the person sentenced has obtained afore-meant profits on the legal articles of evidence (14) to be mentioned hereinafter and derives the estimate of afore-meant profits from the contents of the same.

6.2 Causal relationship

Applying the old provision of Article 36e of the Criminal Code leads to the fact that exclusively the estimated illegally obtained profits resulting from the supplies of TDG, of which mustard gas ammunition was produced, which was deployed at the nine proven chemical- weapon attacks, can be deprived. In order to be able to estimate these profits the causal relationship between the supplies of the TDG and these attacks must be proven. In this respect is important:

the amount of TDG supplied in total to the Iraq regime (6.3) ;
the amount of TDG the person sentenced supplied in total to the Iraq regime (6.3) ;
the total amount of mustard ammunition produced (6.4) ;
the amount of mustard gas ammunition used at the attacks (6.5.) ; and
the amount of TDG required for mustard gas ammunition (6.6.) .

6.3 Total amount of TDG supplied and total amount of TDG supplied by the person sentenced.

The court uses in the first place the judgment of the The Hague court of appeal of 9 May 2007 (hereinafter: the judgment) as article of evidence for the calculation of the estimated illegally obtained profits. The places in the judgment of this court of 23 December 2005 (hereinafter: the judgment) where it can be found will also be referred to.
In the proven case (15) the court of appeal took the view that the person sentenced did in the period between the middle of 1985 and February 1988 actually supply 1116 tons of TDG to Iraq. The amount is mentioned in the “Official Report with regard to the deliveries of various chemicals to Iraq” and concerns a total amount of 20 deliveries.( 16) Apart from that the court of appeal deemed proven that the person sentenced has at least supplied 1116 tons of TDG to the Iraqi regime after supplies from others were terminated in the course of 1984. (17)
Expert [GI] establishes in his report (18) that according to the 1995 FFCD an amount of 3225 tons of TDG was imported by Iraq during the eighties of the past century. 1400 tons of this is supposed to have been supplied by the person sentenced. Although the court will, pursuant to the case proven by the court of appeal, not take this amount into account at the calculation, it will proceed on the assumption of 3225 tons at the determination of the total stock of imported TDG by Iraq.
On the basis of the above the court decides that in the proven period, a total of 1116 tons of TDG was supplied by the person sentenced to the Iraqi regime.

6.4 Total amount of mustard gas ammunition produced

Expert [GI] (19) has calculated on the basis of UNSCOM data how much H-ammunition (20)
was filled under the chemical weapon program of Iraq from 1981 up to and including 1990:

Number of type 250 bombs: 7,100
Number of type 500 bombs: 10,390
Number of 155mm artillery grenade: 69,850

6.5 Amount of mustard gas ammunition deployed at the attacks

The court bases the calculation of the amount of mustard gas ammunition deployed at the attacks on the statements of witnesses. From these statements cannot be derived that also mustard gas grenades were used at the attacks. In this calculation the court does therefore not take grenades filled with mustard gas into account. In view of the types of aeroplanes mentioned in the witness statements, the court proceeds on the assumption that per aeroplane two mustard gas bombs were dropped on average. These aeroplanes always – apart from, as will appear hereinafter, one time a large bomber, the TU-22 – concern fighter-bomber. It is general known that fighter-bombers can only carry a limited number of bombs.

6.5.1 Mustard gas attack on 5 June 1987 in Zewa, situated in Iraq
The witness [G 128] (21) remembers that that day there were five aeroplanes flying in V-formation. One aeroplane was flying low over the Zewa valley and dropped two or three chemical bombs. The other aeroplanes dropped bombs in the higher situated areas around Zewa.
The witness [G 134] (22) was at the time of the bombardment at the base. There were six aeroplanes. Two aeroplanes dropped simultaneously chemical bombs, whereas the other aeroplanes were flying round. They were Migs and Sukhoi, Russian aeroplanes used by the Iraqi.
On the basis of these statements the establishes that two aeroplanes each dropped two bombs, so that in total four bombs were dropped above Zewa.

6.5.2. Mustard gas attack on 16 March 1988 in Halabja, situated in Iraq
The witness [G 16] (23) was during the attack present at 20 kilometers from Halabja and he saw through his binoculars Iraqi Sukhoi and Mig planes in formations of four.
The witness [G 1] (24) lived in Halabja and saw that eight aeroplanes were approaching. After the two first aeroplanes had dropped balloons, he saw that six aeroplanes dropped bombs. He counted eight bombs being dropped by one bomber and after that he saw a second formation of eight aeroplanes approaching. From this second formation chemical bombs were dropped on the town.

The witness [G 121] (25) saw through his binoculars that eight aeroplanes approached the city of Halabja. They flew one time over the town and then started a series of bombardments. The bombs fell in the town and contained chemical substances.
Although the witness [G 120] (26) , who was in the operations room of the Iraqi forces, stated that on 16 March 1988 at least 33 (fighter) -bombers were deployed – namely 16 Sukhoi-22 fighter-bombers, 16 Mirage fighter-bombers and one TU-22 bomber – , it also appears from this statement that raids were carried out above Halabja. The first one was a raid with conventional bombs and the second one a raid with chemical bombs.
On the basis of the statements of the witnesses [G16] , [G1] and [G121] – viewed in relation to each other – and furthermore those statements viewed in relation to the statement of the witness
[G 120], the court establishes that at least eight aeroplanes each dropped two mustard gas bombs, so that in total 16 mustard gas bombs were dropped on Halabja. The court takes in this respect into account – as considered before – that it is a generally known fact that fighter-bombers can carry a limited number of bombs.

6.5.3 Mustard gas attack on 3 May 1988 in Goktapa (Gukk Tapah, situated in Iraq.
The witness [G 99] (27) lived in Goktapa during the attack. The witness saw for fighter-bombers flying from the direction of Kirkuk. The witness heard chemical bombs explode and saw after that that the four fighter-bombers immediately after that flew back into the direction of Kirkuk.
The witness [G 98] (28) lived in Goktapa during the attack and saw four aeroplanes flying three times over the village. The fourth time they dropped their chemical bombs.
On the basis of these statements the court establishes that four aeroplanes at least each dropped two bombs, so that in total eight bombs were dropped on Goktapa.

6.5.4. Mustard gas attack on 11 April 1987 in Khorramshar, situated in Iran.
Around midnight the witness [G 109] (29) heard in Khorramshar four explosions. He understood that it concerned a chemical attack and went to the roof in order to stand under the shower. However, the water had been disconnected. When he was standing downstairs under the shower, he noticed that he could not see anything anymore. Shortly after that he became unconscious.
The witness [G 110] (30) heard on 11 April 1987 in Khorramshar an explosion. The sound was muffled. After that he saw white smoke and he smelt the smell of garlic. The witness walked through the smoke and fainted. Doctors told the witness that he had been exposed to mustard gas.
On the basis of these statements the court establishes that four bombs were dropped on Khorramshar.

6.5.5 Mustard gas attack on 16 April 1987 in Alut, situated in Iran
On the day of the attack the witness [G 67] (31) was working in the field of his father when he saw three aeroplanes approaching from the direction of Iraq. They dropped chemical bombs, turned into the direction of Sardasht and flew back into the direction of Iraq. In his neighbourhood four bombs fell. Further away another three bombs fell.
The witness [G 68](32) was not at home when the village of Alut was bombed. He heard bomb explosions from the direction of Alut. When he went back to Alut, it appeared that seven chemical bombs had been dropped around his house.
On the basis of these statements the court establishes that seven bombs were dropped on Alut.

6.5.6 Mustard gas attack on 28 June 1987 in Sardasht and in Rash Harmeh, both places situated in Iran
Just before the attack the witness [G 13] (33) was at work in the Hospital of Sardasht. The witness saw four aeroplanes and heard muffled bangs. In the town center of Sardasht three chemical bombs came down.
The witness [G 58] (34) heard aeroplanes flying over, smelled the smell of garlic and saw two aeroplanes flying in the direction of Iraq. Shortly after the attack the witness saw six bomb hits. Four of them in Sardasht and two in Rash Harmeh, two kilometers from Sardasht.
On the basis of these statements the court establishes that at least four bombs were dropped on Sardasht and two bombs on Rash Harmeh.

6.5.7 Mustard gas attack on 22 July 1988 in Zardeh, situated in Iran
When approaching the town of Zardeh the witness [G 65] (35) smelled the smell of herbs. From other people the witness heard that nine bombs were dropped at three different locations.
During the attack the witness [G62] (36) was at home in Zardeh. The witness saw two aeroplanes flying over. The aeroplanes returned, made a kind of dive and dropped chemical bombs. The witness heard several explosions. Later on the witness understood that nine bombs had fallen.
The witness [G 63] (37) was during the bombardement in Zardeh. He saw two aeroplanes and after that heard the sound of nine explosions. On three different places the village had been bombed with chemical bombs.
On the basis of these statements the court establishes that by two aeroplanes in total nine bombs were dropped on Zardeh.

6.5.8 Mustard gas attack on 2 August 1988 in Oshnaviyeh, situated in Iran
The witness [G 71] (38) heard from the outskirts of Oshnaviyeh the sound of aeroplanes and the bombs that were dropped. The witness [G 69] (39) was in Oshnaviyeh at work on the farm and heard two explosions, one next to the river and one behind the garden at about 100 meters away from the witness. He smelled an awful smell.
On the basis of these statements the court establishes that two bombs were dropped on Oshnaviyeh.

6.5.9 Conclusion
The following conclusion in respect of the total amount of mustard gas bombs used is drawn from the above:

The court concludes therefore that at nine proven attacks in total at least 56 bombs were deployed. The court remarks in this respect that in favour of the person sentenced a minimal calculation was started from. The court furthermore assumes in favour of the person sentenced that at these attacks every time the lighter bombs were dropped, as it cannot be derived from the articles of evidence which type of bomb was used. Moreover, the amounts to be mentioned hereinafter are in favour of the person sentenced either rounded down or rounded up.

6.6 Calculation of the amount of TDG used

At the court hearing in appeal the expert [GI] stated about the proportion between TDG and mustard gas among other things that, when there was a batch of 1000 kilos (the court understands:

1000 kilograms or 1 ton of TDG) and 5 liters was put into one grenade, 200 grenades could be filled(40) .

The proportion TDG – grenades: 1 ton of TDG=200 grenades.

2875 tons of TDG available in stock for bombs

In its calculation of the amount of filled bombs, the court calculates with the type 250 bomb as a unit of account. The court estimates the proportion of this lighter type of 250 bomb in relation to the type 500 bomb as 2 to 1. Of the type 500 bombs in total 10,390 were filled; so arithmetically that is
2 x 10,390=20,780 type 250 bombs.

Number of filled bombs:

56 bombs x 0.103120516 tons=5.774748896 tons of TDG used at the attacks, rounded off 5.77 tons.

6.7 Calculation of the profit and costs
Part of the profit and costs related to the TDG used at the proven attacks:

From the official report “in relation to the deprivation of illegally obtained fortune”(41) the court derives that for the supplying of 1116 tons of TDG the person sentenced has made a gross profit of
$ 1,066,211.35. In this official report the costs the person sentenced incurred for supplying 1116 tons of TDG are also taken into account. The bank costs are calculated on $ 31,411.38 and the commission the person sentenced owed Mr. [G 92] is calculated at $ 32,500 (42) .

The court observes for the other costs, namely:
incorporation expenses (the costs made for founding the companies [Company 5] and [Company 6] ;
costs for office administration; and
costs of transport;
a percentage of 6.5% of the gross profit = $ 69,303.74.

6.8 In which currency is the profit estimated and at which exchange rate?

The Supreme Court judged in its judgment of 13 July 2010, LJN BL1454, that the currency and the amount of the obligation to pay with regard to deprivation of illegally obtained profits must be established in euro’s.
At the conversion of US dollars into euro’s the court concurs with the present Article 36e of the Criminal Code. Pursuant to the fourth paragraph of this article of law objects can be estimated at the market value at the point in time of the decision.

The court establishes as point in time of the decision the date the demand was last heard at the court session, namely 11 November 2010. Therefore the court uses at the conversion of the US Dollar in respect of the euro the exchange rate of 11 November 2010: 1 US dollar = € 0.7242178447.

6.9 Estimate of the illegally obtained profits

On the basis of the above the court is of the opinion that the profits illegally obtained by the person sentenced can be estimated at:

$ 4,823.83 x 0.7242178447 = € 3,493.00 (rounded off) .

6.10 Conditional defence put up with regard to ability to pay

On behalf of the person sentenced Mr. Van Schaik put up alternatively and under condition a defence with regard to ability to pay. This condition implies that the counsel maintains this defence, however, exclusively in so far as the court bases the calculation of the estimated illegally obtained profits on the total amount of TDG supplied to the Iraqi regime by the person sentenced.

As the court at the calculation of the estimated illegally obtained profits took the TDG used at the proven mustard gas attacks as a starting point, the condition of the counsel is not fulfilled and the discussion of the defence with regard to ability to pay may be dispensed with.

6.11 Obligation to pay

As the court does also in all other respects not see any reason to mitigate the amount, it will impose on the person sentenced the obligation to pay € 3,493.00 to the State for the deprivation of illegally obtained profits.

7. The applicable Articles of Law

The order to be imposed is founded on Article 36e and 36e (old) of the Criminal Code.

8. The decision

The court,

-establishes the amount at which the illegally obtained profits is estimated at € 3,493.00;

-imposes on the person sentenced the obligation to pay € 3,493.00 to the State for the deprivation of the illegally obtained profits.

This judgment was pronounced by
Mr. R.A.C. van Rossum LL.M. chairman,
Mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp LL.M. and J.R.G. Jofriet LL.M. judges,

in the presence of Mr. M. Gest LL.M. clerk of the court,
and pronounced at the public hearing of this court of 16 December 2010.

Mr. Jofriet is not able to co-sign this judgment.

Van Schaik Advocaten

Ontoereikende motivering door Gerechtshof

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 29-06-2010
Datum publicatie: 29-06-2010
Zaaknummer: 08/01783
Formele relaties: Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM4302
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Cassatie

29 juni 2010
Strafkamer
nr. 08/01783

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 maart 2008, nummer 21/000691-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 3 tenlastegelegde feit, de strafoplegging, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt erover dat de motivering van de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde gebrekkig is in het licht van een door de raadsman gevoerd verweer.

2.2.1. Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:
“hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2006 tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven (te weten op/aan [adres] nr. 1 en/of 6), (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid koper (te weten bliksemafleiders), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (de bevestigingen van voornoemde bliksemafleiders werden doorgeknipt/verbroken).”

2.2.2. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2006 tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven (te weten op/aan [adres] nr. 1 en/of 6) telkens tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele aan toebehorende aan [A] en/of aan [B], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak (de bevestigingen van voornoemde bliksemafleiders werden doorgeknipt/verbroken).”

2.2.3. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, houdt het volgende in:
“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen:
(…)
Ten aanzien van feit 3:
8. De ter terechtzitting d.d. 7 maart 2008 van het gerechtshof Arnhem afgelegde verklaring van verdachte voor zover deze inhoudt, zakelijk weergegeven:
“Ik heb in de periode van 19 juli 2006 tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven samen met [medeverdachte] een hoeveelheid aluminium bij de zendmast gestolen.”
Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Gelderland Midden, district Rivierenland, genummerd PL0792 / 06-007410, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, gesloten op 10 november 2006.
9. Het in de wettelijke vorm door opsporingsambtenaar [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0796/06-109758, als weergegeven op de pagina’s 127 tot en met 129 van de doornummering, voor zover inhoudende de op 21 juli 2006 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaar door de aangever [betrokkene 1] afgelegde verklaring.
10. Het in de wettelijke vorm door opsporingsambtenaar [verbalisant 4] opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0796/06-146524, als weergegeven op de pagina’s 184 tot en met 186 van de doornummering, voor zover inhoudende de op 2 oktober 2006 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaar door de aangever [betrokkene 2] afgelegde verklaring.
11. Het in de wettelijke vorm door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 5] opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0792/06-117491, als weergegeven op de pagina’s 66 tot en met 70 van de doornummering, voor zover inhoudende de op 25 oktober 2006 ten overstaan van voornoemde opsporingsambtenaren door de verdachte afgelegde verklaring (op pagina 67, laatste alinea en pagina 68, eerste alinea).”

2.2.4. Het Hof heeft voorts nog het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde overweegt het hof dat vast staat dat er door verdachte en zijn mededader in ieder geval enig goed is weggenomen. Aangever heeft verklaard dat het weggenomen goed een hoeveelheid koper betrof, terwijl het volgens de verklaring van verdachte om aluminium ging. In de processtukken is geen steun te vinden voor de juistheid van één van beide verklaringen wat betreft de aard van het materiaal van het weggenomen goed. Gelet daarop wordt ten aanzien van feit 3 volstaan met de bewezenverklaring van “enig goed”.”

2.2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot verdediging – zakelijk weergegeven -:
(…) Ten aanzien van feit 3 heb ik bezwaar tegen bewezenverklaring van de diefstal betreffende de mast van [B]. Uitgangspunt is de aangifte. Uit het dossier blijkt dat er in de tenlastegelegde periode veel koperdiefstallen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek betrof niet alleen mijn cliënt en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Er waren bovendien veel meer masten dan die van [B] voorwerp van onderzoek. Mijn cliënt heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij een aluminiumdiefstal. Aangezien deze tenlastelegging is toegeschreven op koper, kan de verklaring van mijn cliënt niet worden gekoppeld aan de tenlastelegging. Derhalve dient hij daarvan te worden vrijgesproken.”

2.3. Art. 359, derde lid, Sv luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengegevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”

2.4. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. In die bepaling wordt niet onderscheiden naar de grond waarop die vrijspraak is bepleit (vgl. HR 7 november 2006, LJN AY8901, NJ 2007, 108). Het kennelijke oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, is – nu de raadsman heeft bepleit dat het onder 3 tenlastegelegde niet kan worden bewezen – derhalve onjuist. De bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5. Het middel is gegrond.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging, waaronder de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.

Van Schaik Advocaten

Noodweer(exces) en proportionaliteit.

Instantie: Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak: 04-10-2011
Datum publicatie: 04-10-2011
Zaaknummer: 10/03074
Rechtsgebieden: Strafrecht

Inhoudsindicatie
Noodweer(exces). HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN BI3895 m.b.t. proportionaliteitseis. In het licht van het verweer en de door het Hof vastgestelde omstandigheden is ‘s Hofs oordeel dat het slaan door verdachte als reactie op het door X met een asbak geslagen worden volstrekt onevenredig is, niet zonder meer begrijpelijk. Hetzelfde geldt voor ’s Hofs oordeel
Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair “Poging tot doodslag” en 2. “Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 50.000,– en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voor het toegewezen bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard, voor zover hier van belang, dat:
“hij op of omstreeks 9 november 2008 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een vuurwapen meermalen kogels heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer] en [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

4. Het Hof heeft een beroep op noodweer(exces) als volgt samengevat en verworpen:
“Bij de beoordeling van het verweer neemt het hof veronderstellender wijze aan dat het slachtoffer jegens de medeverdachte een dreigende houding aangenomen heeft en dat hij dreigementen uitte. Evenzo neemt het hof aan dat het slachtoffer, toen verdachte hem de woning uit wilde zetten, deze met een asbak tegen zijn hoofd heeft geslagen. Dit heeft dan (ten hoogste) geresulteerd in een snijwond van drie centimeter op verdachtes voorhoofd, die blijkens de medische verklaring door een arts met histo-acryllijm kon worden geplakt. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer met zijn rechtervuist een zeer krachtige klap gegeven. Om de middelvinger van zijn rechterhand droeg verdachte een massieve ring van drie centimeter breed en twee centimeter hoog, met een gewicht van 74 gram. Verdachte heeft verklaard dat hij de klap heeft gegeven met alle kracht die hij op dat moment in zich had. Volgens verdachte had het slachtoffer door die klap neer moeten gaan. De forensisch geneeskundige W.M.J.M. Heutz heeft in zijn rapport van 2 april 2009 vermeld dat het slachtoffer hierdoor een verbrijzelingsfractuur in de schedel met een hersenkneuzing heeft opgelopen.
Het slachtoffer heeft ondanks deze klap de aanval nog niet gestaakt en heeft verdachte nog tweemaal met de asbak geslagen. Hiervan is bij verdachte niet meer letsel geconstateerd dan de eerdergenoemde snijwond van drie centimeter, als die al niet door de eerste klap met de asbak was veroorzaakt.
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn rechterhand het pistool dat hij bij zich droeg heeft getrokken en doorgeladen om het slachtoffer af te schrikken en hem tot bedaren te brengen. Dit had niet het gewenste effect want het slachtoffer heeft zijn hand op het pistool gebracht en de trekker overgehaald waardoor een schot door verdachtes linkerpols is gegaan. Verdachte heeft het slachtoffer met zijn linkerarm van zich afgeduwd en heeft tweemaal vanuit de heup in de richting van het lichaam van het slachtoffer geschoten. Daarna heeft nog een worsteling plaatsgehad, maar hiervan kan de verdachte zich niets meer herinneren. Het resultaat van de confrontatie is dat het slachtoffer naast de eerdergenoemde verbrijzelingsfractuur in zijn schedel ook nog door zijn hals is geschoten, met letsel aan de halsslagader als gevolg. De halsslagader heeft de verzorgende slagader van het stroomgebied in de linkerhersenhelft afgesloten waardoor daar door bloedstolsels infarcten zijn ontstaan.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte, doordat het slachtoffer de medeverdachte bedreigde en hem, verdachte, aanviel, in een noodweersituatie is geraakt. Daarbij dient echter wel bedacht te worden dat het slachtoffer ongewapend was en zich slechts improviserend heeft bewapend met een voorwerp dat kennelijk voor de hand lag, namelijk een asbak waarmee hij verdachte niet meer dan licht letsel heeft kunnen toebrengen.
Daarop echter heeft verdachte gereageerd met een klap die met zo grote kracht werd toegebracht dat een verbrijzelingsfractuur en een hersenkneuzing werd veroorzaakt. In een iets later stadium heeft hij gereageerd door een met scherpe patronen geladen vuurwapen te trekken en door te laden en ten slotte door daarmee, terwijl hij niet in een positie was om gericht te schieten op minder vitale lichaamsdelen van het slachtoffer, vanuit de heup een aantal schoten in de richting van het slachtoffer af te geven. Deze reacties zijn volstrekt onevenredig en worden door de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer dan ook niet gerechtvaardigd, zodat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Hieraan doet niet af dat verdachte zelf in zijn pols is geraakt nu hij dat aan zijn eigen schuld heeft te wijten aangezien hij degene is geweest die een doorgeladen vuurwapen in het veld heeft gebracht.

Het hof acht aannemelijk dat verdachte door deze gebeurtenissen aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi is geraakt. Het hof acht echter niet aannemelijk dat die door de aanranding is veroorzaakt. Ze moet in overwegende mate worden toegeschreven aan de zeer sterke en snelle escalatie van het conflict, de daarbij optredende opwinding en de aan verdachte toegebrachte polsverwonding, alle door verdachtes eigen onevenredige reacties veroorzaakt. Het hof verwerpt daarom eveneens het beroep op noodweer-exces.”

5. Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces.

6. Volgens de door het Hof vastgestelde feiten heeft het onderwerpelijke gebeuren, uiteindelijk resulterend in een veroordeling van de verdachte wegens poging tot doodslag, zich als volgt voltrokken:
– verdachte ging de woning van zijn vriendin [betrokkene 1] – door het Hof medeverdachte genoemd – binnen;
– [slachtoffer], door het Hof het slachtoffer genoemd, was gewikkeld in een woordenwisseling met [betrokkene 1];
– [slachtoffer] nam jegens [betrokkene 1] een dreigende houding aan en uitte dreigementen;
– verdachte wilde [slachtoffer] uit de woning zetten en greep hem daartoe vast (bewijsmiddel 1);
– [slachtoffer] pakte een asbak en sloeg de verdachte daarmee op diens hoofd; dit resulteerde in een snijwond van drie centimeter op verdachtes voorhoofd;
– verdachte sloeg [slachtoffer] vervolgens met zijn rechterhand, waarvan de middelvinger was voorzien van een massieve ring, met alle kracht die hij had op diens hoofd, waardoor [slachtoffer] – naar later bleek – een verbrijzelingsfractuur in de schedel en een hersenkneuzing opliep;
– [slachtoffer] staakte zijn aanval op verdachte niet doch sloeg de verdachte nog tweemaal met de asbak;
– verdachte pakte een vuurwapen uit zijn broek en laadde dit vuurwapen door;
– [slachtoffer] bracht zijn hand op het vuurwapen en haalde de trekker van het vuurwapen over waardoor een schot door verdachtes pols ging;
– verdachte duwde [slachtoffer] van zich af en schoot vanuit de heup twee keer op hem;
– [slachtoffer] werd in de halsslagader geraakt;
– er vond vervolgens tussen verdachte en [slachtoffer] nog een worsteling plaats;
– door de door verdachte op [slachtoffer] afgevuurde schoten liep [slachtoffer] uiteindelijk hersenletsel op.

7. Naar het oordeel van het Hof is de verdachte doordat [slachtoffer] [betrokkene 1] bedreigde en hij de verdachte aanviel – het Hof heeft hier kennelijk het oog op de eerste klap met de asbak – in een noodweersituatie komen te verkeren. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

8. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de reacties van de verdachte op de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] te weten het slaan met zijn rechterhand, waarvan de middelvinger was voorzien van een massieve ring, en het schieten met het vuurwapen op [slachtoffer] – volstrekt onevenredig waren en door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] niet werden gerechtvaardigd.

9. Het oordeel van het Hof dat genoemd slaan door verdachte van [slachtoffer] een volstrekt onevenredige reactie was op diens aanval op de verdachte met de asbak baseert het Hof op de kracht waarmee de verdachte [slachtoffer] sloeg en het letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van de klap opliep.

10. Over de verhouding tussen de ernst van de aanranding en het gekozen verdedigingsmiddel overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 8 september 2009, LJN BI3895, NJ 2010, 391, m.nt. Y. Buruma:
2.5.1. Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006, 650).

2.5.2. De hiervoor onder 2.5.1 genoemde proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

2.6. Het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan die eis van proportionaliteit, omdat het niet overtuigd is van de noodzaak dat de verdachte de aangever [betrokkene 1] met kracht met gebalde vuist op het gezicht moest slaan om zichzelf te ontzetten.
Daarmee heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
Indien het heeft geoordeeld dat eerst dan aan de hier te stellen proportionaliteiteis is voldaan indien, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan, heeft het een te strenge toets aangelegd. Wat dat laatste betreft is immers beslissend of de desbetreffende gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Indien het echter die – juiste – maatstaf wel voor ogen heeft gehad, had het gelet op de door hem vastgestelde ernst van de aanranding, zijn oordeel dat de verdachte voor een te zwaar middel heeft gekozen, nader dienen te motiveren.
Wat betreft die aanranding heeft het Hof immers vastgesteld dat de verdachte door de aangever op zijn borst was geslagen en dat de aangever vervolgens een bokshouding jegens de verdachte heeft aangenomen.
Het bestreden arrest lijdt daarom aan een motiveringsgebrek.

11. Over de verhouding tussen aanval en verdediging merkt Keijzer – met inbegrip van de hier niet overgenomen voetnoten – op:
“…zou men bij noodweer evenredigheid tussen verdediging en aanval eisen dan zou het conflict veelal voortduren. De tot afweer gegeven klap lokt weer de volgende uit, ad infinitum. Men is echter niet alleen gerechtigd een aanval te weerstaan, men mag hem ook afslaan. Een zekere overmaat aan geweld is daartoe gerechtvaardigd. Daaraan is echter wel een grens: de overmaat mag niet onaanvaardbaar groot zijn.”

en
“7 rechtsvergelijking
De Duitse noodweerbepaling bevat, als parallel van geboden in art. 41, eerste lid, Sr, de term erforderlich. Toegestaan is, een afweermiddel te kiezen dat onmiddellijke en afdoende afwending van het gevaar verzekert, zij het dat als daartoe meer middelen voorhanden zijn men het minst ingrijpende moet kiezen. De Duitse rechtspraak dienaangaande neemt het bestaan van een wanverhouding tussen aanranding en verdediging niet snel aan. In Frankrijk werd een beroep op noodweer gehonoreerd in een geval dat sterk leek op het onderhavige doch waarbij de bewoner de indringer in het hart had geraakt.”(1)

Dienovereenkomstig werd in BGH 1 maart 2011, 3 StR 450/10, Rn 16 overwogen:
“Der Angegriffene muss von einer erforderlichen Verteidigungshandlung nicht bereits dann absehen, wenn zwischen der dem Angreifer dadurch drohenden Rechtsgutverletzung und dem angegriffenen eigenen Rechtsgut ein Ungleichgewicht besteht. Rechtsmissbräuchlich und damit nicht mehr geboten ist eine Verteidigungshandlung vielmehr erst dann, wenn die jeweils bedrohten Rechtsgüter zueinander in einem unerträglichen Missverhältnis stehen, etwa wenn die – wie hier – Leib oder Leben des Angreifers gefährdende Handlung der Abwehr eines evident bagatellhaften, bloßem Unfug nahe kommenden Angriffs dient (vgl. Fischer aaO § 32 Rn. 39).”

12. In de overwegingen van het Hof ligt besloten het oordeel dat het beroep op noodweer niet opgaat wanneer de desbetreffende gedraging – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Dat oordeel geeft in het licht van de hiervoor aangehaalde uitspraak geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

13. Het oordeel van het Hof dat het slaan door de verdachte als reactie op het geslagen worden met een asbak met een hoofdwond als gevolg in onevenredige verhouding staat tot die aanval vergt echter nadere uitleg. Zoals het Hof vaststelt was verdachtes klap niet zo hevig dat deze het slachtoffer er toe bracht de aanval op de verdachte te staken. Nu de noodweerbepaling niet alleen toestaat terug te slaan maar, zoals Keijzer schrijft, ook toelaat de aanval af te slaan(2) zou van een – zoals het Hof oordeelt – volstrekt onevenredige reactie toch minst genomen verwacht mogen worden dat deze de aanvaller tot staan bracht. Dat was niet het geval: [slachtoffer] sloeg de verdachte nog twee keer met de asbak.

14. Het kan ook zijn dat het Hof van oordeel was dat de verdachte met een minder vergaande reactie had moeten volstaan ook al zou die minder vergaande reactie [slachtoffer] niet hebben doen stoppen, en dat de verdachte gezien het gevaar, dat voor [slachtoffer] verbonden was aan een effectieve wijze van verdediging door de verdachte, zich maar had moeten laten welgevallen dat [slachtoffer] zich niet liet weerhouden van een voor de verdachte niet zo gevaarvolle aanval. Ook als het Hof zo heeft geoordeeld vergt het oordeel van het Hof nadere uitleg. Zo op het eerste gezicht steunt art. 41 lid 1 Sr, sprekend van noodzakelijke verdediging, dit veronderstelde oordeel van het Hof niet. Ik wijs in dit verband ook op § 32 lid 2 StGB:
“Notwehr ist die Verteidigung, die erforderlich ist, um einen gegenwärtigen rechtswidrigen Angriff von sich oder einem anderen abzuwenden.”

15. Ook het schieten door de hals van [slachtoffer] acht het Hof een volstrekt onevenredige reactie van de verdachte op de aanranding van zijn lijf door [slachtoffer], bestaande in het schieten door de pols van verdachte. Bij dat oordeel heeft kennelijk een wezenlijke rol gespeeld dat de verdachte het naar het oordeel van het Hof aan zijn eigen schuld te wijten heeft dat hij door het slachtoffer in zijn pols is geschoten omdat hij degene is geweest die een geladen wapen in het veld heeft gebracht.

16. In het licht van de omstandigheid dat het slachtoffer de aanval op de verdachte voortzette ondanks het feit dat de verdachte het slachtoffer zo hard hij kon op het hoofd had geslagen (met een verbrijzelingsfractuur in de schedel met een hersenkneuzing als gevolg) verdient het nadere verklaring waarom het – zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld – voor verdachtes rekening komt dat hij door [slachtoffer] in zijn pols is geschoten. De vraag is immers of verdachtes handelen, zijn wapen tevoorschijn te halen en dit door te laden, als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, het geslagen worden met een asbak op het hoofd en het na fors terugslaan nog eens meermalen geslagen worden met een asbak op het hoofd, met als gevolg van één van die slagen met de asbak een hoofdwond.

17. Voorts is van belang hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 28 maart 2006, LJN AU8087:
3.5.2. Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.

Of kan worden gezegd dat de verdachte door het tevoorschijn halen en doorladen van het wapen het slachtoffer heeft uitgelokt tot voortzetting van zijn aanval op de verdachte heeft het Hof niet vastgesteld en ligt ook niet in de door het Hof vastgestelde feiten opgesloten.

18. Ook de verwerping van het beroep op noodweerexces is niet begrijpelijk. Het Hof oordeelt dat niet aannemelijk is dat de verdachte door de door het Hof beschreven gebeurtenissen – kort gezegd: de aanval door het slachtoffer met een asbak en het schieten door de pols van de verdachte – aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi is geraakt. De hevige gemoedsbeweging acht het Hof wel aannemelijk, maar moet, aldus het Hof, worden toegeschreven aan de zeer sterke en snelle escalatie van het conflict, de daarbij optredende opwinding en de aan de verdachte toegebrachte polsverwonding, alle door verdachtes eigen onevenredige reacties veroorzaakt.

19. Als de polsverwonding, zoals het Hof overweegt, heeft bijgedragen aan de hevige gemoedsbeweging van de verdachte, dan valt niet in te zien waarom de hevige gemoedsbeweging niet is veroorzaakt door de aanranding van de verdachte door [slachtoffer]. Kennelijk ligt aan het oordeel van het Hof ten grondslag dat het geschoten worden door de pols voor rekening van de verdachte komt omdat hij een wapen te voorschijn haalde en doorlaadde. Dat oordeel van het Hof is echter niet begrijpelijk omdat – zoals ik hiervoor heb uiteengezet – reeds niet begrijpelijk is het oordeel van het Hof dat – kort gezegd – het slaan van [slachtoffer] en het schieten op [slachtoffer] niet in noodweer is geschied.

20. Voor het oordeel van het Hof lijkt allesbepalend te zijn de ernst van de gevolgen van de verwondingen die de verdachte [slachtoffer] heeft toegebracht. Deze kan inderdaad aanleiding geven tot de verwerping van het beroep op noodweerexces in die zin dat het letsel zo ernstig is dat niet aannemelijk is dat een verdachte is opgetreden ter verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ik wijs in dit verband op HR 8 april 2008, LJN BC4459, NJ 2008, 312, m.nt. N. Keijzer, waarin werd overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een “onmiddellijk gevolg” als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr sprake is geweest, betekenis toekomt aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Uit de overwegingen van het Hof valt echter niet op te maken dat het Hof van oordeel is dat gelet op de ernst van het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel niet aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld ter verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

21. De uitspraak van het Hof ademt in zekere zin de gedachte die in Schönke-Schröder als volgt onder woorden wordt gebracht:
“b) Besteht zwischen Art und Umfang der aus dem Angriff drohenden Verletzung und der mit der Verteidigung verbundenen Beeinträchtigung oder Gefährdung des Angreifers ein grobes Missverhältnis, so ist Notwehr, mag sie auch das einzige Mittel sein, sowohl aus Rechtsbewährungs- als auch aus Individualschutzgründen unzulässig: Ersteres, weil die Rechtsordnung nicht durch jeden Rechtsbruch in gleicher Weise in Frage gestellt wird und auch das Recht nicht mit Mitteln verteidigt werden will, die im Hinblick auf das in dem Angriff liegende Unrecht nach verfassungs- und menschenrechtlichen Vorgaben eindeutig unverhältnismäßig sind, letzteres, weil sich in einem solchen Fall die bedrohten Individualinteressen auch nach Notstandsregeln nicht behaupten dürften.
(…)
Beispiele aus der Rspr., in denen die Notwehr als unzulässig angesehen wurde: Schutz eines Pfirsichbaums durch tödlich wirkende elektrische Anlage (Braunschweig MDR 47, 205); tödlicher Schuss auf den mit einer Sirupflasche im Wert von 0,10 DM entfliehenden Dieb (Stuttgart DRZ 49, 42?m. Anm. Gallas); Verteidigung des Pfandrechts an einem Huhn durch Axthiebe auf den Kopf des Angreifers (Bay NJW 54, 1377); (…)”(3)

Voor het Nederlandse recht zal hier niet anders over gedacht behoeven te worden. Of zich in casu een dergelijk geval voordeed valt uit de motivering van het Hof niet op te maken en ligt in de door het Hof vastgestelde feiten ook niet besloten.

22. Het middel slaagt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde, de opgelegde straf, de opgelegde maatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Van Schaik Advocaten

Illegale olifantenhandel

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 15-03-2010
Datum publicatie: 15-03-2010
Zaaknummer: 16/997025-06 [P]
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Illegale olifantenhandel. Invoer van twee Afrikaanse olifanten zonder vereiste vrijstelling en valsheid in geschrift door gebruik te maken van een valse factuur en een valse verklaring. De rechtbank oordeelde dat de verdachte de olifanten had ingevoerd met het doel zichzelf dan wel de stichting waarvoor hij werkt financieel te bevoordelen. De rechtbank legt een geldboete op van 25.000 euro, waarvan 15.000 voorwaardelijk.

VONNIS
RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht
parketnummer: 16/997025-06 [P]
vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 15 maart 2010
in de strafzaak tegen [verdachte]
geboren op [1944] te [geboorteplaats] (Duitsland)
wonende te [woonplaats] aan de [adres].
Raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: opzettelijk twee beschermde olifanten heeft verworven en in Nederland heeft ingevoerd;
feit 2: valsheid in geschrift heeft gepleegd bij het verwerven en importeren van deze beschermde olifanten.

3 De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Het verblijf van de olifanten bij Ouwehands Dierenpark in Nederland is inmiddels gelegaliseerd, de olifanten zijn in een goede dierentuin terechtgekomen en zij krijgen een uitstekende verzorging; de in de Cites-wetgeving na te streven doelen worden met de vervolging van verdachte dan ook niet in redelijkheid gediend, aldus de raadsman.

De rechtbank zal dit verweer verwerpen. De Cites-wetgeving heeft als doel de internationale handel in wilde dieren mogelijk te maken zonder dat deze soorten in hun voortbestaan worden bedreigd. Dit doel wordt bereikt door de internationale handel in diersoorten die (mogelijk) met uitsterven worden bedreigd te reguleren door middel van een vergunningenstelsel. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is in het huidige geval niet in staat gesteld om de handel in de olifanten te reguleren; zij werd voor een voldongen feit gesteld toen de olifanten al bij Ouwehands Dierenpark waren.

Dit blijkt ook uit de ontheffing van 20 mei 2009 die aan Ouwehands Dierenpark is verleend, waarin expliciet staat vermeld dat de ontheffing slechts ziet op het bezit van de olifanten en niet op de overdracht en andere handelingen die bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet worden verboden. Het beroep van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft vrijspraak gerequireerd ten aanzien van het medeplegen van feit 1.

4.2 Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit is de verdediging met de officier van justitie van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat er ten aanzien van de invoice (1/D/02) geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op vervalsing. Ten aanzien van de verklaring van [getuige 5] dat de olifanten een schenking betroffen, wordt aangevoerd dat verdachte dit document (1/D/03) slechts ‘voor ontvangst’ getekend heeft en aldus geen gebruik heeft gemaakt van dit document.

4.3 Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Partiële vrijspraak feit 1

Medeplegen
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.

Verdachte is als dierentransporteur/dierenhandelaar werkzaam bij de Stichting European Foundation For Relocation of Animals (verder te noemen: Efra), te Rhenen. Begin 2006 heeft hij bij een dierentuin in Spanje twee Afrikaanse olifanten (Aja en Duna) verworven voor Ouwehands Dierenpark in Rhenen. Hij heeft deze olifanten vervolgens naar Nederland vervoerd en daar afgeleverd. Verdachte heeft niet betwist dat hij de beide olifanten heeft vervoerd en bij Ouwehands Dierenpark heeft afgeleverd.
Het onder 1 tenlastegelegde is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De politie heeft op 12 september 2006 van [getuige 6], werkzaam bij Ouwehands Dierenpark, een verklaring d.d. 5 april 2006 van [getuige 5] – de Spaanse Dierentuindirecteur – ontvangen. In deze verklaring is opgenomen dat twee Afrikaanse olifanten aan Ouwehands Dierenpark zijn gedoneerd. Deze verklaring is mede-ondertekend door verdachte.
Bij een doorzoeking van een woning van verdachte d.d. 22 november 2006 is een invoice aangetroffen d.d. 29 maart 2006, waarin is gesteld dat voor “the transportation” van twee olifanten een bedrag staat van € 184.450,00 inclusief BTW.
Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij voornoemde brief d.d. 5 april 2006 ‘voor ontvangst’ heeft ondertekend. Voorts heeft verdachte verklaard dat in tegenstelling tot wat in deze brief staat vermeld, nimmer sprake geweest is van een donatie van de olifanten. Voor de aankoop van olifant Duna heeft Ouwehands Dierenpark namelijk wel degelijk betaald, te weten een bedrag van € 98.000,00, aldus de verdachte. Hij heeft verklaard dat hij dit bedrag contant – kennelijk zwart – aan [getuige 5] heeft voldaan. De term “transportation” in voornoemde invoice, die door hem op deze wijze is opgesteld op verzoek van Ouwehands Dierenpark, omvat dan ook anders dan de term doet vermoeden méér dan alleen het transport van de olifanten, aldus verdachte in zijn verklaring ter terechtzitting.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Immers, uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat de genoemde brief van [getuige 5] en de invoice onjuiste informatie bevatten. Verdachte heeft – door deze documenten te overhandigen aan Ouwehands Dierenpark – dan ook opzettelijk gebruik gemaakt van deze valse documenten.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2006 tot 8 april 2006 te Rhenen, opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort te weten:
twee Afrikaanse olifanten, heeft verworven en vervoerd en binnen het grondgebied van Nederland gebracht.

2.

In de periode van 29 maart 2006 tot en met 8 april 2006 te Rhenen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste geschriften te weten:
– een invoice van 29 maart 2006 waarin is gesteld dat voor “the transportation” van twee olifanten een bedrag staat van 184.450,00 euro’s inclusief BTW en
– een verklaring van [getuige 5] van 5 april 2006, waarin is opgenomen dat twee Afrikaanse olifanten aan het Ouwehands Dierenpark zijn gedoneerd, als ware die echt en onvervalst.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten en de verdachte
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte wel degelijk beschikte over een juiste vrijstelling voor olifant Duna. De verdediging wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een tweetal stukken, te weten een “certificado intracomunitario” met nummer BI-0097/00-C en een EU/Cites-certificaat met nummer BI-0097/00-C . De verdediging is dan ook van mening dat – nu de juiste vrijstelling impliceerde dat geen strafbaar feit werd gepleegd – ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen ten aanzien van olifant Duna. Meer subsidiair stelt de verdediging dat [getuige 4] nog dient te worden gehoord als getuige.

Wettelijk kader

Het is op grond van artikel 13, lid 1 Flora- en faunawet (voor zover hier van belang) verboden uitheemse beschermde diersoorten onder zich te hebben en binnen het grondgebied van Nederland te brengen.
In artikel 4 van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet is – voor zover hier van belang – bepaald dat vrijstelling van het verbod van artikel 13, eerste lid geldt, indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede, derde of vierde lid, van de Basisverordening EG nr. 338/97 (verder te noemen: de Basisverordening) voor specimens van de soorten genoemd in bijlage A van de Basisverordening,
De rechtbank stelt vast dat de Afrikaanse olifant (Loxodonta Africana) op grond van
artikel 4, eerste lid onder a van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet juncto bijlage A bijlage bij die Verordening een beschermde uitheemse diersoort is.
Van dit verbod als bedoeld in van artikel 13, lid 1 Flora- en faunawet kan ingevolge artikel 75 van die wet jo. artikel 10 Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten vrijstelling worden verleend onder meer ter uitvoering van internationale verplichtingen.
Deze vrijstelling, een certificaat, wordt in de onder artikel 8 lid 3 van de Basisverordening genoemde situaties afgegeven. In Nederland worden deze certificaten afgegeven door het Cites-bureau, onderdeel van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Het voorschrift van artikel 4 van de Basisverordening, houdt in dat – voorafgaand aan de feitelijke invoer in het douanekantoor aan de grens van het land waar de specimens worden binnengebracht – een invoervergunning, afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming, moet zijn voorgelegd.

Uit het voorgaande volgt dat om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van het verbod als bedoeld in artikel 13, lid 1 Flora- en faunawet een invoervergunning dient te worden afgegeven door een administratieve instantie van de Lidstaat van bestemming, in dit geval door het Nederlandse Cites-bureau.
Verdachte had voor het onder zich hebben en binnen het grondgebied brengen van Nederland geen vrijstelling aangevraagd bij het Cites-bureau. Olifant Aja was niet vergezeld van deze vrijstelling, een Cites-certificaat.
Voor deze olifant had verdachte dan ook geen vrijstelling krachtens de Basisverordening, hetgeen ook niet door de verdediging is betwist.

Olifant Duna was vergezeld van een zogenaamd “houdersexemplaar” van een Cites-certificaat, niet zijnde een export-Cites-certificaat. Ten aanzien van olifant Duna heeft de verdediging op een tweetal – hierboven reeds genoemde – documenten gewezen waaruit zou blijken dat verdachte wel degelijk over een vrijstelling beschikte voor olifant Duna. De betreffende documenten zijn voorgelegd aan [getuige 7], werkzaam als senior-medewerker Cites-MA bij het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselveiligheid. Deze verklaart dat de documenten bij Duna – kort gezegd – niet voldoen aan de in de Basisverordening gestelde eisen. Ook uit de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], allen werkzaam bij het Cites-bureau, blijkt dat die documenten niet voldoen aan de eisen. Verdachte zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij voorafgaande aan het transport van beide olifanten geen contact heeft gezocht met de Nederlandse Cites-autoriteiten.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte óók voor olifant Duna geen vrijstelling had krachtens de Basisverordening.

De rechtbank zal ook het – subsidiair gedane – verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [getuige 4] afwijzen. De rechtbank acht zich over de vraag of verdachte wel of niet over een vrijstelling beschikte voor olifant Duna voldoende voorgelicht.

Gelet op het voorgaande geldt dat er – voor beide olifanten – geen vrijstelling van het verbod van artikel 13 van de Flora- en faunawet was. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:
– overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid onder a, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
– opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte
Namens de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is, aangezien hij er op mocht vertrouwen dat de papieren van de beide olifanten in orde waren. Weliswaar waren de documenten niet opgesteld in de juiste format en waren een paar hokjes onjuist ingevuld, maar deze waren wel opgesteld door de Spaanse Cites-autoriteiten. Nu verdachte erop mocht vertrouwen dat hij beschikte over de juiste papieren, is verdachte voor dit feit niet strafbaar en moet hij worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In zoverre is sprake van afwezigheid van alle schuld (AVAS), alles aldus de verdediging.

Verdachte heeft als gezegd ter terechtzitting verklaard dat hij geen contact heeft opgenomen met het Nederlandse Cites-bureau voor informatie over de benodigde vrijstelling. Hij heeft dit niet gedaan omdat de directeur van de dierentuin in Spanje die hem de olifanten aanbood, hem meermalen zou hebben verzekerd dat de olifanten – hoewel bij olifant Aja evident een Cites-certificaat ontbrak – vergezeld gingen van de juiste documenten.

Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij al meer dan 20 jaar ervaring heeft als transporteur/handelaar van beschermde dieren. Hij heeft voorts verklaard bekend te zijn met de Cites-wetgeving. Deze ervaring en kennis wordt bevestigd in de brieven van verschillende dierentuinen in Europa, behorende bij de brief van de raadsman d.d.
10 februari 2010. Uit deze brieven komt – kort gezegd – naar voren dat verdachte zijn papierwerk altijd op orde heeft. Het voldoen aan de vereiste regelgeving betreft een zelfstandige verplichting van de verdachte die als transporteur c.q. tussenpersoon optreedt. Om die reden zal de rechtbank het subsidiaire verzoek tot het horen van de getuigen
[getuige 8] en [getuige 9] afwijzen.

Gelet op het bovenstaande kon de verdachte er dan ook in het geheel niet op vertrouwen dat de documenten ‘in orde’ waren. Van een verschoonbare dwaling – zo begrijpt de rechtbank het beroep op AVAS – kan onder deze omstandigheden – mede tegen de achtergrond van het onder feit 2 bewezen verklaarde – geen sprake zijn. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen.

6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte al voldoende gestraft is doordat zijn reputatie ten gevolge van de huidige verdenkingen is geschaad, met alle financiële gevolgen van dien.

6.3 Het oordeel van de rechtbank
De straf die aan verdachte zal worden opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft twee beschermde Afrikaanse olifanten verworven en binnen het grondgebied van Nederland gebracht, met slechts het doel zichzelf dan wel de stichting waarvoor hij werkt financieel te bevoordelen. Het gaat daarbij om een voordeel van vele tienduizenden euro’s. Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van een valse factuur en een valse verklaring.
Van verdachte, die over zichzelf heeft gezegd een dierenliefhebber te zijn, mocht anders worden verwacht. Het ongecontroleerde bezit van – en de handel in beschermde uitheemse diersoorten brengt immers de natuurlijke populaties grote schade toe en draagt bovendien bij aan een vermindering van de overlevingskansen van die soorten in het wild.
De rechtbank acht het feit dat verdachte een professionele handelaar in dieren is strafverzwarend.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 19 januari 2010 niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een forse geldboete op zijn plaats is. Daarbij weegt zij mee dat het proces in deze zaak lang heeft geduurd en dat de bewezenverklaarde feiten al in 2006 zijn gepleegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 25.000,00 subsidiair 160 dagen hechtenis een passende sanctie is. De rechtbank zal een gedeelte van deze geldboete, te weten een bedrag van
€ 15.000,00 subsidiair 96 dagen hechtenis voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2, 6 van de Wet economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen
– verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring
– verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
– spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid
– verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
– verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
Feit 2: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd
– verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging
– veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 25.000,00 waarvan
€ 15.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
– beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast, voor het onvoorwaardelijke deel (van €10.000,00 ) 64 dagen en voor het voorwaardelijke deel (van €15,000,00) 96 dagen;
– bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, mr. P. Bender en mr.
M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 maart 2010.

Van Schaik Advocaten

Foute herkenning, vrijspraak

Instantie: Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak: 02-02-2010
Datum publicatie: 15-02-2010
Zaaknummer: 16/511615-09 [P]
Rechtsgebieden: Strafrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Uitgaansgeweld in de nacht van 7 op 8 juni 2008 in Woerden. Verdachte is vrijgesproken voor zijn betrokkenheid bij een vechtpartij tussen een groep inwoners van Woerden en een groep Polen vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Sector strafrecht vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 februari 2010
in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1991] te [geboorteplaats] wonende te [adres], [woonplaats],
raadsman mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 5 november 2009 en 19 januari 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 19 januari 2010.

2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] op de Utrechtsestraatweg openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3].

3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt –zakelijk weergegeven – het volgende.
Twee getuigen verklaren over geweldshandelingen door verdachte: trappen tegen de onderrug of een trappende beweging ([getuige 1]) dan wel een “flying kick” ([getuige 2]).
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de oprechtheid van deze getuigen of om aan te nemen dat hen woorden in de mond zijn gelegd, maar ik acht de verklaringen toch onvoldoende voor wettig en overtuigend bewijs.
Getuige [getuige 1] heeft geen enkel belang bij een valse verklaring. Hij verklaart dat hij goed zicht had, maar de vraag blijft of de herkenning betrouwbaar en bruikbaar is voor het bewijs: de herkenning was achteraf en niet op het moment zelf en het betreft een herkenning op basis van een Hyves zoektocht, waarbij een beetje vaag blijft hoe dat is gegaan. De portier [getuige 3] heeft verklaard dat hij geen gezichten heeft kunnen zien en dat het een grote chaos was en dat hij daarom niemand heeft kunnen herkennen.
De herkenning door getuige [getuige 2] betreft in zekere zin ook een herkenning achteraf, op het moment zelf is er geen heel persoonlijke herkenning, maar onder meer op basis van haardracht.
Er was een behoorlijke afstand tussen [getuige 2] en de jongen die de “flying kick” heeft uitgedeeld, op het moment zelf was het donker en er was straatverlichting aanwezig, maar er was ook nog een vechtende groep aanwezig tussen [getuige 2] en de jongen die de “flying kick” uitdeelde. Ook hier is onduidelijk gebleven hoe hij hem precies heeft gezien, op welk moment hij hem in het gezicht heeft gezien en op de rug.
Ik vorder op grond van het voorgaande vrijspraak.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich, net als de officier van justitie, op het standpunt dat de onderbouwing te mager is voor een bewezenverklaring:
de verklaring van getuige [getuige 1] wordt niet gedekt door de portier, maar eerder ontkracht; de verklaring van getuige [getuige 2] wordt ook niet ondersteund door andere getuigen. De ontkennende verklaring van mijn cliënt wordt daarentegen ondersteund door de getuigenverklaring ter terechtzitting van [getuige 4]. Dit moet leiden tot vrijspraak, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. In de nacht van 7 juni 2008 op 8 juni 2008 hebben in Woerden vechtpartijen plaatsgevonden tussen een groep Poolse mannen en een groep Woerdense jongeren.
Dat geschiedde achtereenvolgens op de Utrechtsestraatweg en de Voorstraat, waar één van de Poolse mannen, [slachtoffer 1], is blijven liggen. Hij is enkele dagen later overleden.
Het geweld heeft zich vervolgens verplaatst naar de Rijnstraat en Nieuwesteeg.
De politie heeft een grootschalig onderzoek ingesteld om te achterhalen wat er zich die avond precies heeft afgespeeld. Uit het onderzoek zijn meerdere verdachten naar voren gekomen die betrokken zouden zijn geweest bij de verschillende gebeurtenissen van die avond.
Een aantal opeenvolgende gebeurtenissen heeft uiteindelijk geresulteerd in de dood van [slachtoffer 1], zonder dat kon worden vastgesteld welk toegepast geweld de doodsoorzaak was (of oorzaak was van het letsel van de overige Polen). De reeks van gebeurtenissen heeft in de Woerdense samenleving opschudding veroorzaakt. Aan [verdachte] wordt maar een deel van deze gebeurtenissen verweten, te weten betrokkenheid bij de openlijke geweldpleging op de Utrechtsestraatweg.

4.3.2. Over dit incident is het volgende komen vast te staan:
In café Victoria (ook wel café Arie) bevinden zich op 7 juni 2008 vier Polen. Één van hen veroorzaakt wat problemen: een kale/gemillimeterde man met een wit shirt. Hij lijkt een meisje lastig te vallen. Één van de portiers waarschuwt hem en zijn Poolse metgezel van dat moment; als de man nadien doorgaat met lastigvallen van andere klanten verzoekt de portier de twee naar buiten te gaan . De vier Poolse mannen gaan naar buiten.
Ze drinken buiten nog even verder, één van de vier, het latere slachtoffer [slachtoffer 1], is behoorlijk dronken. Op het terras is na middernacht, dus inmiddels op 8 juni 2008, ook een groep aanwezig die ervoor op een feestje is geweest bij [X]. Ook van die groep is er een aantal dat dronken of aangeschoten is.
Buiten ontstaat een woordenwisseling met een meisje, gevolgd door een “uitdaging”.
De Woerdenaren en de Polen bewegen zich – of worden bewogen – naar de verkeerslichten, een tiental meters verwijderd van café Victoria, op de Utrechtsestraatweg, waar deze kruist met de Stationsstraat. Er volgt een vechtpartij.
Eén of meer Poolse mannen worden geduwd en/of getrokken.
Tenminste één Poolse man wordt geschopt, waardoor hij tegen de grond gaat. De kale Pool, krijgt een “vliegende trap” tegen zijn rug, waardoor hij voorover neervalt. [slachtoffer 1] wordt geslagen of geschopt, waardoor hij op de grond valt. Als hij op de grond ligt, wordt hij geschopt. De kale Pool wordt geslagen. Als hij op de grond ligt wordt hij getrapt tegen zijn lichaam. Hij wordt in ieder geval op zijn rug en bovenlichaam getrapt. Mogelijk wordt hij ook op het hoofd getrapt en tegen het hoofd geslagen.
Er werd door meerderen geslagen en/of geschopt naar de op de grond liggende Polen.
Vervolgens worden de vechtenden gescheiden door de baas van café Victoria ([getuige 1]) en een van de beveiligers. Een Pool blijft even, buiten bewustzijn, liggen. Wanneer hij weer overeind komt is zijn hoofd fors bebloed.

4.3.3. De betrokkenheid van [verdachte]

4.3.3.1. Vast staat dat [verdachte] hoorde bij de groep Nederlanders die het feestje bij [X] had bezocht en dat hij daarna café Victoria bezocht, dat hij getuige was van de woordenwisseling vóór het café en dat hij zich, met anderen, bewoog naar de “kop” van de Utrechtsestraatweg.
De vraag is echter of er wettig en overtuigend bewijs is dat hij heeft deelgenomen aan de openlijke geweldpleging en zo ja, wat zijn bijdrage daaraan is geweest.

4.3.3.2. Er zijn twee getuigen die [verdachte] positief hebben geïdentificeerd als betrokken bij de vechtpartij:
[getuige 1], de café eigenaar heeft aan de politie verklaard, kort gezegd, dat hij een internetfoto herkent als die van een jongen die de Poolse man kennelijk opzettelijk, een aantal keren met kracht tegen de onderrug trapte toen deze in foetushouding op de grond lag op de Utrechtsestraatweg. [getuige 1] verklaart dat hij de jongen goed zag toen hij deze wegtrok, dat hij hem daarbij goed in het gezicht had gezien. De betreffende foto, is van het (oude) Hyves-profiel van [verdachte] en toont hem.
Ter zitting van 5 november 2009 heeft [getuige 1] als getuige verklaard:
De verdachte maakte deel uit van de groep jongeren. Ik heb hem één trap zien geven op het moment dat ik net bij de groep kwam en ik trok hem weg. Er stonden om en nabij ongeveer 10 jongeren om hen heen. Ik heb de verdachte een trappende beweging zien maken voordat ik hem wegtrok. De verdachte was de eerste die ik wegtrok. Door het wegtrekken heb ik zijn gezicht gezien en ik weet zeker dat het deze verdachte is. Ik heb geen idee of de verdachte bij [slachtoffer 1] stond. Wel stond hij op een halve meter afstand van een van de op de grond liggende Poolse mannen. Ik heb niet gezien of de verdachte iemand heeft geraakt. Dit speelde zich af op de kopse kant van de Utrechtsestraatweg, precies bij de streep waar de auto’s achter moeten wachten. Dit is een halve meter van de stoep vandaan. De Poolse man lag één meter vanaf van de stoep op de rijbaan. Ik stond op het punt waar [slachtoffer 1] op de grond lag in foetushouding. Hij lag met zijn rug gebold naar de Stationsweg.( …)
Ik herken de verdachte nu ook als degene die ik de trappende beweging heb zien maken. Ik twijfel niet. De verdachte had net de pech dat ik hem als eerste beetpakte en toen passeerde zijn gezicht mijn gezicht. De hele commotie duurde niet langer dan 30 seconden. Toen was de rust wedergekeerd.( …)
Ik heb verdachte herkend via “Hyves”. Bij elk incident in de zaak zoeken wij Hyves af naar foto’s en namen van de betrokkenen. Dit doe ik door middel van zoekopdrachten en “spots” bezoeken van gegroepeerde mensen. De zoekopdracht kan zijn: Woerden en dan zoeken naar groepsfoto’s. Op die foto’s bekijk ik dan wie ik herken en zoek in de “vrienden” van mensen die ik ken. Ik weet niet meer of ik hier naar een bepaalde groep heb gezocht. Er zijn uit dit eigen onderzoek wel meer namen dan alleen die van verdachte naar voren gekomen. Dit was een solo-actie van mij. Ik heb ongeveer 15 à 30 minuten op Hyves gezocht(…). De politie heeft geen namen gesuggereerd, want zij had geen idee wie er bij de vechtpartij was betrokken.

4.3.3.3. Voorts is er de verklaring van de getuige [getuige 2]. Aan de politie heeft deze verklaard, kort gezegd, dat hij net bij café Arie kwam toen er ophef was op straat, rond 2.00 uur. Hij zag een 6 à 7 Polen en een grote groep anderen, zo’n 30 Nederlanders maar ook Marrokaanse jongens, waarvan hij er een aantal vaker gezien had in het centrum of op school.
[getuige 2] verklaart voorts dat uit die groep Polen iemand de Utrechtsestraatweg inliep en dat daarop een onbekende jongen uit de grote groep, die weglopende man van achteren neertrapte met een “flying kick”, “een Bruce Lee actie”. De jongen sprong, kwam los van de grond en schopte met zijn rechterbeen tussen schouderbladen van de man, waarop deze ten val kwam. De jongen die de “flying kick” gaf beschrijft hij als blond met een kuifje, en [getuige 2] heeft aan de politie aangegeven dat hij weet dat deze jongen voetbalt bij VEP en een Nike vestje droeg. [getuige 2] heeft daarbij aangegeven dat hij het gebeuren goed kon zien, omdat de straatverlichting brandde. Hij stond op 30 à 40 m afstand.
Ter zitting van 19 februari 2010 heeft hij als getuige voorts verklaard:
Ik kwam bij het café aan, ik zag een groep buiten staan die onenigheid had, ik bleef maar even buiten staan om te kijken en praatte met wat bekenden.
Het kleine groepje liep richting de Utrechtsestraatweg. Aanvankelijk stond ik aan de overzijde van de Singel, maar ik was daarna overgestoken en ik stond op de straat bij de kop van de Utrechtsestraat. De trap in de rug waarover ik verklaarde was bij het stoplicht daar.
Een jongen ging richting de Utrechtsestraatweg, dus met zijn rug naar mij toe.
Ik zag dat iemand hem een “flying kick” gaf in de rug, ik dacht niet de onderrug.
Volgens mij was het deze verdachte, toen ik hem beschreef had ik hem op het oog, ik heb een keer met mijn voetbalclub, Woerden, gevoetbald tegen VEP en toen heb ik hem gezien, hij voetbalde in de A of A1. Ik heb hem ook wel eens zien lopen in de stad, ik wist zijn naam niet, maar ik kende hem van gezicht en wist wie het was. Ik herkende de jongen in het voorbijgaan. Ik heb de jongen zelf gezien en ik had het plaatje gelijk voor me van wie het was. Ik heb de jongen later niet meer gezien, ik kan niet precies zeggen wanneer ik zijn gezicht heb gezien, ik weet wel zeker dat ik zijn gezicht gezien heb.
Het was inderdaad een chaotische situatie maar het kleine vechtpartijtje was wel overzichtelijk. Er stonden wel personen tussen mij en de man die ik zag weglopen en geschopt worden, maar daar kon ik tussendoor kijken.
Ik schat dat ik het zag op een afstand die nog wat groter is dan de afstand van waar ik nu sta (voor de tafel van de rechters) tot de verste muur van de zittingszaal (eigen waarneming rechtbank: ongeveer 10 meter). Sinds een paar weken heb ik contactlenzen, -0,75 en –1; die had ik toen nog niet.
Ik herkende hem aan de kuif en de blonde haren. Het klopt wel dat meer jongens van mijn leeftijd hun haar zo dragen.

4.3.3.4. De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat deze getuigen zelf oprecht overtuigd zijn dat zij [verdachte] herkennen als betrokken bij de vechtpartij.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren.
De verklaringen zijn niet geheel gelijkluidend (maar de tegenspraak tussen schoppen en een flying kick is slechts schijnbaar: beiden kunnen een moment van een opeenvolging van gebeurtenissen gezien hebben) en innerlijk niet geheel consistent ([getuige 1] verklaart eerst over meerdere – rake – trappen, later over een trappende beweging waarvan hij niet weet of die raak was, maar dat kan nog wel verklaard worden door onder meer het tijdsverloop).
Belangrijker is het volgende.
De herkenning door [getuige 1] is een herkenning achteraf, aan de hand van een zelf op Hyves gevonden foto. Van algemene bekendheid is langzamerhand, dat het menselijke geheugen soms beelden en/of herinneringen samenvoegt, zonder dat de betrokkene zich daarvan bewust is. Dat is een reden om aan een foto- of Osloconfrontatie strikte eisen te stellen. Gelet hierop, gelet op de chaotische situatie en gelet op het feit dat [verdachte] – naar hijzelf verklaart – wel dicht bij de vechtpartij stond, en mede gelet op het hierna te noemen ontlastende bewijsmateriaal acht de rechtbank goed mogelijk dat [getuige 1] zich heeft vergist bij het aanwijzen van [verdachte] als degene die hij wegtrok.
Wat [getuige 2] betreft geldt, dat hij op een zodanige afstand stond als waarnemer van een chaotische situatie, dat ook hier mogelijk de gang van zaken vertekend is waargenomen of als herinnering opgeslagen.
Dit geldt temeer nu de plaats waar [verdachte] volgens zijn eigen verklaring stond lag tussen [getuige 2] en de betrokkenen bij de “flying kick”, het donker was en hij ten tijde van de gebeurtenis (nog) geen contactlenzen droeg, die hij thans wel draagt voor zijn bijziendheid.

4.3.3.5. Tegenover de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] staat ontlastend materiaal:
Van de vriendengroep zijn er verschillende personen die verklaren dat zij [verdachte] gezien hebben op plaats en tijdstip van het incident, maar dezen verklaren ook dat zij [verdachte] niets hebben zien doen, terwijl betrokkenen overigens wel belastend verklaren over zichzelf en de andere leden van de vriendengroep.
In verschillende verklaringen is sprake van een “flying kick” of sprongslag, maar die wordt toegeschreven aan (een) ander(en) dan [verdachte].
[verdachte] zelf heeft, hoewel de politie hem indringend heeft geconfronteerd met de verklaringen tegen hem van [getuige 1] en [getuige 2], consequent ontkend enige bijdrage te hebben geleverd aan de vechtpartij.
Zijn verklaring, ook als verdachte ter zitting, is dat hij de vechtpartij van nabij heeft gadegeslagen, vanaf de stoep vlakbij de kop van de Utrechtsestraatweg.
[getuige 4] ter zitting van 19 januari 2010 als getuige gehoord, heeft dit bevestigd.

4.3.3.6. De conclusie van de rechtbank is dus dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte een trap(pende beweging) of een “flying kick” heeft gegeven/gemaakt. Ook overigens is er onvoldoende bewijs voor openlijke geweldpleging. Volgens vaste jurisprudentie is van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.
Er bevindt zich in het dossier geen bewijs van enige andere bijdrage, door bijvoorbeeld gedrag of houding, aan het groepsgeweld.

4.4 De vrijspraak
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft gepleegd.
Hij moet daarvan dus worden vrijgesproken

5 De vordering van de benadeelde partij

De rechtbank heeft in het dossier van [verdachte] een vordering benadeelde partij aangetroffen. De officier van justitie heeft verklaard dat niet duidelijk is of beoogd is deze vordering ook in deze zaak in te dienen en dat, mocht dat wel zo zijn, de vordering om verschillende redenen niet ontvankelijk is.

De raadsman heeft bepleit de vordering buiten beschouwing te laten.

De rechtbank gaat ervan uit dat de vordering in de onderhavige zaak is ingediend, gelet op de op die vordering gestelde aantekeningen (kennelijk van een parketmedewerker).

De benadeelde partij moet echter niet ontvankelijk worden verklaard reeds omdat [verdachte] wordt vrijgesproken.

6 De beslissing
De rechtbank:

Vrijspraak
– spreekt [verdachte] vrij van het hem ten laste gelegde;

De vordering van de benadeelde partij
– verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. A.G. van Doorn, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 februari 2010.